Skip to main content

Full text of "Hattuarie : de oorsprong der graven van Gelre en Cleve"

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 



/Y^r'/?397h/0^ 




FROM THE FUND BEQUEATHED BY 
FARCHIBALD CARY COOLIDGE 1 
|A'BI887 PROFESSOR OF HISTORY t 
t I908-1Q28 DIRECTOR OF THE \ 
^ UNIVERSITY LIBRARY 1910-1928 
.1Ï 




Digitized 




byGoOg 



Digitized 



by Google 



\ 



Digitized 



by Google 



Digitized 



by Google 



Digitized 



by Google 



: t 



V^ 



Nederlands 

Familie-Archief 



BEWERKT 



DOOR 



A. A. VORSTERMAN VAN OYEN 



EN 



G. J. HONIG. 

GENEALOGISCHE BIJDRAGEN. 

A. J. C. Kremei\ — -Hattuai^ie. 



'S-pF^AYENHAQE , 

GENEALOGISCH-HERALDISCH ARCHIEF, 

1887. 



vGooqIc 



Digitized 



by Google 



J> 



/C^ 



HATTUARIE. 



Digitized 



by Google 



Digitized 



by Google 



^HATTUAEIE.^ 



DE OORSPRONG 



DEB, 



GRAVEN VAN GELRE EN CLEVE, 



DOOR 



A. J. C. K RE MER. 



'S-GEAVENHAQE, 

Penealogisch-JIeraldisch ;^rchief. 

1887. 



Digitized 



by Google 



KUu lm. /£>€ 



HARVARD 

[UNIVERSITYl 

LIBRARY 

MAY 19 1960 



Digitized 



by Google 



VOORBERICHT. 



Velen schijnen, tot nog in het begin dezer eeuw, hier te lande ge- 
meend te hebben, dat onze vaderlandsohe geschiedenis vóór het midden 
der zestiende eeuw nauwelijks de beoefening waardig was. Ongetwijfeld 
gingen zij van de meening uit, dat door de godsdienstige en staat- 
kundige hervorming geheel en al gebroken was met de instellingen 
van vroegere eeuwen, dat men met deze voor goed had afgedaan, dat 
de kennis van de geschiedenis der zoogenaamde grafelgke regeering, 
tot niets nuttig was. 

Dergelijke dwaling bestaat nog bij niet weinigen, voor wie de 
geschiedenis van ons land eigenlijk slechts begint met de revolutie in 
de vorige eeuw, of, wat nog gemakkelijker is, en wat zij voldoende 
achten, met de invoering der grondwet van 1848. 

Voeg daarbij, dat dezulken geen begrip hebben van de ware methode 
tot beoefening der geschiedenis, en zeer practisch meenen te werk te 
gaan, wanneer zij onvoorwaardelijk geloof hechten aan de beweringen 
van bepaalde zoogenaamde autoriteiten, die, beheerscht door politieke 
of kerkelijke krachten, fantasie geven voor werkelijkheid. 

Ongetwijfeld hebben anderen zich op wijsgeeriger standpunt geplaatst. 
Zij begrepen, dat de geschiedenis van een natie niet begint als eene 
of andere, meest reeds gedurende eeuwen voorbereide, gebeurtenis, plaats 
grijpt, evenmin als een mensch begint te leven, wanneer hij tien, 
twintig, dertig of meer jaren oud is. Zij, die het belang der geschiedenis 
van een volk erkenden tot kennis van dat volk, zijne neigingen, 
gebreken en behoeften, hebben dan ook getracht de zaken hooger op 
te halen. 



Digitized 



by Google 



VI * 

Sedert de vorige eeuw hebben velen dan ook terecht de geschiedenis 
der Nederlandsche gewesten, van het begin der vestiging van men- 
schen hier te lande tot heden, met ijver onderzocht. Zij hebben mei 
het autoriteitsgeloof gebroken en, met noeste vlijt, oorkonden en zooveel 
mogelijk gelijktijdige schrijvers gaan verzamelen. Men is begonnen te 
trachten uit deze de geschiedenis der Nederlandsohe gewesten op te 
sporen. 

Dit belet echter niet, dat, van de vierde of vijfde eeuw tot aan hei 
begin der elfde, nog zeer veel in het duister ligt, niet alleen wat 
bgzonderheden betreft, maar ook wat groote en belangrijke gebeurte- 
nissen aangaat. De geschiedenis der eerste eeuwen na de invoering vas 
het Christendom, moet nog grootendeels, zoo niet ongeveer geheel, 
worden opgebouwd. 

Daartoe is vooral noodig bekend te zijn met de vorsten die toen het 
land regeerden , want in de zoogenaamde middeneeuwen was de ge- 
schiedenis der volken grootendeels de geschiedenis hunner vorsten. 
Kent men de lotgevallen van een vorst uit dien tijd, dan kent men 
ook het voornaamste van de lotgevallen, en van den toestand van zijd 
volk gedurende diens regeering. 

De geschiedenis der landstreken , die tot het oude hertogdom GelK 
en het graafschap Zutphen behoorden, heeft talrijke en bekwame be- 
oefenaars gevonden. Zij is, naar wij meenen, zeker niet met minder 
vrucht bewerkt dan die van eenig ander Nederlandsch gewest. D« 
neemt echter niet weg, dat nog veel onbekend is, en voor de elfde 
eeuw bijna alle zekerheid ontbreekt. Aanleiding vonden wij daarin, om, 
naar onze geringe krachten, te beproeven, in hoeverre de bestaande 
leemte kon worden aangevuld. 

Daaraan hebben het in 1871 uitgegeven boekje „De graven i» 
Hameland'''' en thans Hattimrie^ hun oorsprong te danken. 

Beide werkjes zijn proeven van genealogiën. De eigenlijke geschiedenis 
bekleedt daarin slechts eene zeer geringe plaats. Wat hier geleverd 
wordt is echter geheel nieuw, de vrucht van zelfstandig onderzoek 
waarbij wij ons best hebben gedaan door scherpzinnigheid en oritiek 



Digitized 



by Google 



vn 

iiit op zich zelf staande gegevens een geheel te Yormen , dat ten minste 
blijken draagt van eene ernstige poging, om aan de voorwaarden eener 
wetenschap te voldoen. 

Dit strekke tot onze verschooning voor vele tekortkomingen, ook 
wat den vorm betreft. Zou ons werk eenige waarde hebben , dan moesten 
wij niet alleen de resultaten van ons onderzoek mededeelen, maar tevens, 
althans in grove trekken, het onderzoek zelf teruggaven. Daardoor 
waren wij genoodzaakt onze stof fragmentarisch te behandelen en 
afstand te doen van het genoegen, eene geregelde geschiedenis te geven. 

Bij ons onderzoek volgden wg eene bepaalde methode. Zooveel mogelijk 
hebben wij de rekenkunde toegepast. G-edurig hebben wij , in het boekje 
zelf op die methode gewezen, en alzoo is het niet noodig daarop hier 
terug te komen. 

Wg onderstellen, dat ieder die belang stelt in de geschiedenis van 
Gelderland, de Oordeelkundige Inleiding van B". van Spaen bij de 
hand heeft, en deze bij het lezen van ons boekje, zooveel als noodig 
is, zal naslaan. Ook, dat de voortreffelijke oorkondenboeken van 
Lacomblet en B^». Sloet, niet zullen ontbreken. Daarin zal men de 
bewijzen vinden bij namen en jaartallen , wanneer geene andere bronnen 
genoemd worden. Wij hebben geene oorkonden laten overdrukken die 
reeds zijn uitgegeven, om de kosten niet noodeloos te vermeerderen, 
en nog niet uitgegevene zijn wij niet zoo gelukkig geweest te bemach- 
tigen. Het archief te Arnhem , hoe belangrijk ook , bevat niets 't welk 
betrekking heeft op het door ons behandelde tijdvak, ofhet is te vinden 
in het reeds vermelde standaardwerk van B». Sloet. In Duitsche 
archieven is, mogelijk, nog wel iets wat ons van dienst had kunnen 
zijn, maar het ontbrak ons aan de middelen in deze zelf te zoeken 
of te laten zoeken. 

De gemeentelijke bibliotheek te Arnhem bevat daarentegen eene 
tamelijk volledige verzameling van merkwaardige en kostbare werken, 
die ons bij onzen arbeid van zeer veel nut zijn geweest. Wat wij 
buitendien nog noodig achtten , hebben wij getracht ons van elders te 
verschaffen. 



Digitized 



by Google 



VIII 

In de Aanteekeningen zal de lezer ongetwijfeld veel vinden, wat ook 
voor andere dan öeldersche streken niet onbelangrijk is. In de Stam- 
tafelen zal men een overzicht bezitten van de door ons verkregen resul- 
taten, die voor een groot gedeelte te verrassend zjjn, dan dat ze' voet- 
stoots kunnen worden aangenomen. Ze zullen alzoo, naar ik hoop, tot 
kennismaking met mijne stellingen opwekken, en aanleiding geren tot 
verder onderzoek. Ik heb het vertrouwen, dat mijn werk dat ver- 
dragen kan. 

Ten slotte maak ik van deze gelegenheid gebruik mgnen dank te 
betuigen aan allen, die mij in deze onderneming hunne hulp hebben 
verleend; inzonderheid aan den heer Mr. Alex. VerHuell, den 
wijsgeerigen kunstenaar en geleerde, ben ik veel verplicht, terwijl de 
welbekende genealoog de heer A. A. Vorsterman van Oyen te 's-Gra- 
venhage , de uitgaaf heeft vergemakkelijkt en welwillend mij zgne zeer 
gewaardeerde hulp verleende. 

A. J. C. KREMER. 



De Praest bij Arnhem, April 1887. 



Digitized 



by Google 



ADDENDA ET CORRIGENDA. 



Bladz. 1. Dr. Joh. Ferd. Huschberg, maakt in zijne Geschichte der 
Altetnannen und Franken weinig gewag van de Eipuariers. Mogelijk 
verkregen de Batavieren reeds ten tijde van Caesar land be westen 
<len Rijn. 

Bladz. 19, regel 12, lageren adel, lees: lagere adel. 

„ 27, „ 20, Merovingers, lees: Merovinger. 

„ 27, „ 24, Carolingsche , lees: Carolingers. 

„ 31, „ 12, berichtten, lees: berichten. 

„ 32, „ 6 V. o., Neutrië, lees: Neustrie. 
„ 40, „ 14, Hespergou, lees: Hespengou. 

„ 41, „ 11, niets, lees: iets. 

„ 50, „ 20, eohtgenoote, lees: echtgenoot of man. 

„ 52, „ 11 V. o., zelfden, lees: zelden. 
„ 81. Henricus en zijne gemalin Aleid geven Lachs aan de 
Benedictijnen van Trier 1093, Cruft met de Kerk, Bedendorff en 
Willenburgh. Zijn stiefzoon Siegfried teekent mede. Siegfried eigende 
zich later Lachs toe, maar gaf het terug. Miraeus, Op. Dipl. I 271. 
Hendrik, heer van Lachs, stierf in 1095. Hij was een kleinzoon 
van paltsgraaf Ezo , zijne vrouw was weduwe van Adalbert van Bal- 
lenstedt, van wien zij twee zoons had: Otto van Ballenstedt en palts- 
^aaf Siegfried.* 

Bladz. 91, regel 9, Wichhard, lees: "Wichard. 

„ 101, „ 14. Ebroïn. Zijne gemalin was vrouw van Florines 
en hij verkreeg van Koning Lodewijk Antine in Condroz en Heidra 
in Famine. 

Bladz. 101, regel 19. EilbertüS ontving van zijn broeder Boso 
Ooierus mons (Chaumont) in Florines. Hist. Walciodor. Monast. bij 
Pertz Mon. XIY. 
Bladz. 108 ,' regel 27. Einrichgon , lees : Einrichgou. 



Digitized 



by Google 



Bladz. 122, regel 20. Fursterberg, lees: Furstenberg. 

„ 122, „ 28. Arnold II Juvenis. In het Tijdschrift voor 
Noordbrabantsche Gesch. , Taal- en Letterk. van den heer AuG. 
Sassen. III n». 5, gaf de Eerw. Heer Fr. G. van der Elsen eene 
verbeterde uitgaaf der stichtingsoorkonde van de abdij van Bern van 
1134 met een fac-simile van het oorspronkelijk document. Die oor- 
konde is geteekend o. a. door Arnoldtis juvenis comes de Cleve, die 
toen te Utrecht schijnt geweest te zijn. Aan allen twijfel omtrent zijn 
bestaan zal nu wel een einde gemaakt zijn. 

Bladz. 143. In de aanteekening op Gastra Yetera is de oorspron- 
kelijke tekst veranderd, waarin van Claudius Civiüs gesproken werd, 
niet van Brinio. Yan Brinio wordt door Tacitus slechts eenmaal gewag 
gemaakt. Hij was het eerste opperhoofd dat openlijk tegen de Romeinen 
optrad, ^naar geen man die in staat was om als opperbevelhebber 
den oorlog voort te zetten. Men leest niet dat bij Gastra Yetera Gannine- 
faten waren ; die werden lager door Nerviers en Batasiers bezig gehouden, 
en daar, in Zuid-Holland, zal Brinio in dien tijd het opperbevel gehad 
hebben. 

Mogelijk, zeer waarschijnlijk zelfs, deed Brinio eene gelofte gelijk 
aan die welke Givilis deed, maar dat is niet zeker. Tacitus zegt: 
Hist. lY. 61. „Givilis, barbaro voto, port coepta ad versus Romanos 
arma, propexum rutilatumqae crinem, patrata demum caede legionum 
deposuit". 

Hooft vertaalde: „Givilis heeft zijn hair, dat hij, volgens zijn bar- 
barische beedelofte, gedaan naa 'tneemen der wapenen teegens de 
Romainen , uitgekemt en gekruift droegh , eerst naa 't volbrengen van 
den moordt der keurbenden, afgeleidt" 

Onze aandacht werd door de vergissing, boven vermeld, meer bepaald 
op deze plaats van Tacitus gevestigd. De vertaling van den geleerden 
drossaart is niet juist. Wij verdietschen aldus : „Givilis ontdeed zich , 
nadat eindelijk de nederlaag der legioenen volbracht was, van zijn, 
volgens barbaarsche gelofte, na het opnemen der wapenen tegen de 
Romeinen, naar beneden gekamd en rood geverwd haar." 

Yolgens de bekende Sikamber-kopjes droegen de Germanen het haar 
lang en op den kruin van het hoofd zamengebonden of in knoop 
gelegd. Mg dunkt uit deze plaats is te leeren, dat zij bij eene gelofte, 
zooals Givilis deed , den knoop uit het haar of den band die het vast- 
hield, wegnamen, en het blonde of rossige haar donker of schitterend 
rood verwden. Rutilare is rood verwen en niet, zooals Hooft vertolkte. 



Digitized 



by Google 



^kmiven" of krullen. Dat roodverwen was alzoo geene dagelijksche 
gewoonte bij de Germanen, zij deden het ook niet om zich te ver- 
sieren, maar het was bepaaldelijk het teeken van eene gelofte, en dat 
wel eene van veete of bloedwraak. 
Bladz. 147, regel 10, Route Saone, lees: Haute Saone. 

„ 148, „ 15. Herlichheit^ lees: Herlichkeit. 

„ 150, „ 5, 311, lees: 511. 

„ 150, „ 22, 404, lees: 604. 

„ 151, „ 7, Radcn, lees: Radon. 

„ 152, „ 14,664, lees: 674, aldaar regel 21 , staat 676 , 
lees: 679 en regel 24ook 679 in plaats van 676. 
Bladz. 153 , bij noot 5 , moet worden vermeld, dat men bij Martene 
et DuRAND , Misc, I , pag. 22 , vindt een charta Herelaefi pro Ecclesia 
S. Lamberti de Baclaos van het jaar 721 , waarin o. a. „ hoc est ad 
basilicam S S. apostolorum Petri et Pauli , et S. Lamberti episcopi et 
martiris , quam nuper constituimus in loco Baclaos , uhi nunc dommis 
pater et pontifex Willébrordus praeesse videtur .... Actum publice 
loco Baclaos anno I Theoderici regis die XII , mensis Decembris. 

De gecursiveerde uitdrukking is niet volkomen dezelfde als die in 
n®. 6 van Bn. Sloet. In den Bakelschen brief staat Willebrord aan het 
hoofd der genoemde kerk in den Rinderschen is hij koster der kerk 
dier parochie, want custos komt wel niet voor in de beteekenis van 
praesul. Schijnbaar valt de dagteekening in hetzelfde jaar , maar juist 
die schijnbare overeenkomst kan aanleiding gegeven hebben tot eene 
invoeging, die eenigzins overeenkwam met wat in den Bakelschen 
brief stond , en moest dienen om het jaar der Rindersche schenking , 
zooals de overschrijver dat vermoedde , in den brief vast te stellen. 
Te Binderen, dit ten slotte, was, toen de schenking plaats had, 
niet bisschop "Willebrord maar zekere Ugilius] pastoor. 
Bladz. 155, regel 26, staat: 644, lees: 674. 

„ 156, » 16, „ de brief, lees: den brief. 



Digitized 



by Google 



Digitized 



by Google 



ROMEINEN EN FRANKEN TUSSCHEN 
RIJN EN MAAS. 

I. 

Dat gedeelte van het land tusschen Rijn en Maas 
' t welk in latere middeneeuwen tot de hertogdommen 
Gelre en Cleve, en het graafschap Meurs behoorde, 
werd voor Caesars tijd bewoond door de Menapiërs , 
een Belgisch volk, vermoedelijk van Celtisch ras. 

Gedurende Caesars oorlogen in Gallie werden zij 
uit hunne overrijnsche bezittingen en hunne landen 
tusschen Maas en Rijn verdreven. De Romeinen plaat- 
sten in laatstgemelde streken, tijdens de regeering 
van keizer Augustus , Katten (Bataui , Batauers) in 
het noordelijk gedeelte tot aan Niers en Zonsbeek *), 
hooger op Sicambren , tot Erft en Schwalm , 
terwijl nog hooger de Ubiërs woonplaatsen verkregen 
hadden ). 

Livius, die in de eerste eeuw na Christus schreef, 
noemt in volgorde langs den Rijn, «Vangiones, Ubii, 
Colonia Agrippenses , Gugerni et Batavi » , — De door 
Drusus overgeplaatste Sicambren zullen derhalve des- 
tijds bekend zijn geweest onder den naam van Gugernen. 



Digitized 



by Google 



De op den rechter Rijnoever achtergebleven Sicambren 
woonden toen , en nog later , bezuiden de Lippe , 
door die rivier gescheiden van de Tencteri, die oos- 
telijker aan de Bructeri en noordelijk aan de Usipeten 
paalden, en waarschijnlijk Chauci of Chamavi tot wes- 
telijke naburen hadden. 

De Romeinen maakten de landen der Batavieren en 
Gugernen tot ' grondslag hunner krijgsverrichtingen 
tegen de overrijnsche volken. Zij legden er wegen 
aan, zorgden voor goeden afvoer van het water, 
bouwden er vestingen en legerplaatsen , en ook sticht- 
ten zij er koloniën. Romeinen woonden daar te 
midden van eene Germaansche bevolking. Onder in- 
vloed der Romeinen ontwikkelden zich de vroegere 
wilde of halfwilde Germanen binnen korten tijd tot 
tamelijk beschaafde menschen. Zij waren aan het op- 
pergezag der Romeinen onderworpen en verplicht 
manschappen te leveren voor de Romeinsche legers. 
Zij leerden de taal en krijgskunde der Romeinen , 
en aan de vrije bevolking werd door Keizer Cara- 
CALLA (2ii-*-2i7) het Romeinsch burgerrecht toege- 
kend »). 

Ook Overrijnsche Germanen lagen gedurende den 
bloei van het Romeinsche rijk onder de verplichting 
hulpbenden aan de Romeinen te leveren. Zóó de Friesen , 
Chauken , Usipeten , Tencteren , Sicambren , Bructeren 
en Katten. Volken bewesten den IJssel en de Weser 
in het land 't welk in de Middeleeuwen Neder-Saksen 
heette, en die bezuiden de Lippe en bewesten de 
Werra tot aan de Main, door welke deze groep van 
de ook aan de Romeinen onderworpen Sueven ge- 



Digitized 



by Google 



3 

scheiden was. Al die stammen scheidden zich onder 
invloed der Romeinsche beschaving van de overige 
Germaansche volken ♦), maar zij verkregen het Ro- 
meinsche burgerrecht niet, hoewel de Romeinen 
hunne wetgeving en hun bestuur regelden. To,en 
de macht van het Romeinsche Rijk begon te ver- 
minderen , onttrokken zij zich , op het voorbeeld der 
Sueven (AUemannen) , aan hunne verplichtingen en 
namen of verkregen den gemeenschappen j ken naam 
van Franken , door welken naam werd te kennen ge- 
geven , dat zij hunne onafhankelijkheid hadden terug 
gekregen ^). 

Ten tijde van Gordianus en Gallienus, in het jaar 
255, traden de Franken voor het eerst op als vijanden 
van het Romeinsche rijk door een verwoestenden stroop- 
tocht. Zij werden teruggeslagen. Sedert dien tijd deden 
zij gedurig invallen, ook met het doel grondgebied 
te veroveren en zich te vestigen. Met geweld gelukte 
hen dit echter vooreerst niet, echter werd toch aan 
eenigen hunner grond afgestaan , maar onder andere 
voorwaarden dan die , waarop hunne reeds vroeger 
in Gallië gevestigde stamverwanten thans tot het Ro- 
meinsche rijk behoorden. Zij die na onderwerping 
woonplaatsen verkregen werden Liti of Laeti geheten, 
in onderscheiding van de Coloni , volksplanters ge- 
trokken uit Romeinsche vrijgelatenen of inboorlingen 
uit Romeinsche gewesten. De liten of laten stonden 
onder een praefectus laetorum. Zij waren Rijksheden 
en tot den krijgsdienst verplicht. Hoewel ze niet in 
hiet bezit waren van het Romeinsche burgerrecht, 
Afaren zij geen slaven. Zij bezaten hun eigen recht , 



Digitized 



by Google 



maar hun voornaamste magistraat verkozen ze niet 
zelf, hun praefectus werd door de Romeinen aange- 
steld. Zij stonden voor dezen terecht en waren hem 
gehoorzaamheid verschuldigd. Zoo stonden zij dan 
onder hofrecht en daarvandaan kregen ze ter onder- 
scheiding van de nog onder eigen wetten en zelf ge- 
kozen overheden staande Franken , den naam van Salii , 
Salische Franken, d. i. hofhoorige Franken. 

Sicambren en Chamaven, die ook over den Rijn 
gekomen waren , onderwierpen zich in de vierde eeuw 
aan de Romeinsche heerschappij. Claudianus onder- 
scheidde in de eerste helft der vierde eeuw Sicambren 
van Saliërs en Franken. — In 358 hadden Salische 
Franken zich bij Tassanderlo in de buurt van Ton- 
geren geplaatst. Hoewel men niet weet hoe ze daar 
kwamen is het zeer waarschijnlijk, dat deze uit hunne 
woonplaatsen verdreven Sicambren waren. Deze 
Franken werden gemakkelijk door Julianus weder on- 
derworpen en als laten bleven zij in hunne nieuwe 
woonplaats. 

De overrijnsche Sicambren hadden mogelijk de Ba- 
taafsche landen tusschen Rijn en Maas bezet. In 395 
sloten zij vrede met Stilico en werden sedert niet al- 
leen tot de Saliërs gerekend, maar vormden de kern 
van deze. Lang behielden zij hun land beoosten de 
Maas niet. In 432 werden zij daar vervangen door de 
de Hattuariers of Attuariers, terwijl andere Franken 
zich zuidelijker plaatsten. In dien tijd, onder Keizer 
Theodosius II , alzoo voor 450, bezweken de Batavieren , 
«vernield in te voet geleverde gevechten. «Ongeveer in 
denzelfden tijd kwam de naam van Ripuarische Franken 



Digitized 



by Google 



5 

in gebruik ®). Deze waren de van het Rijk onafhan- 
kelijke Franken aan den Rijnoever. Tusschen 402 en 
408 waren zij meester van den linker oever van Ander- 
nach naar beneden. Het overige Germania Secunda, 
(bewesten de Maas) was toen bezet door Saliërs , alleen 
te Lusiges bij Tongeren stond nog een praefectus lae- 
torum. Toen dienden nog Chamaafsche cohorten in 
Egypte en Bructeren en Amsivariers in Gallie. Ver- 
moedelijk waren de soldaten dezer cohorten bij 
invallen in Gallie overwonnen en in Romeinsche 
krijgsdienst genomen, of bestonden die benden uit 
zoldelingen , uit « gevolgen » van aventuriers dier na- 
tiën 7). 

In 412 , 413 en 431 hadden de Chamaven verwoes- 
tende strooptochten in Gallie ondernomen. Aan die 
invallen werd door den vrede van Stilico een einde 
gemaakt. De Ripuariërs stonden onder bijzondere Ko- 
ningen, vermoedelijk uit het volk der Hattuariers ge- 
kozen , dat zal het machtigste geweest zijn der Ripua- 
riërs bewesten den Rijn , zij toch vormden zamen één 
natie, terwijl de overige Ripuariërs vermoedelijk oor- 
spronkelijk bestonden uit kleine afdeelingen van ver- 
schillende volken, die onder hunne aanvoerders zich 
tusschen Rijn en Maas gevestigd hadden *). 

Toen het Romeinsche rijk in een stortte , hadden zich 
Salische Franken vereenigd tot één staat onder Ricimir 
in 418, of onder diens zoon Theodemir. Ricimir was 
in 384 Romeinsch consul geweest en den Romeinen 
niet vijandig. De Ripuariërs waren niet in dien 
Franken bond begrepen, maar stonden onder hun eigen 
Koningen. De Koning der Salische Franken had toen 



Digitized 



by Google 



zijn zetel te Dispargum bij Tongeren. Clodio werd 
daar opgevolgd door Merovaeus zijn zoon of neef. — 
De koninklijke waardigheid werd na Merovaeus erfelijk 
bij de Franken en zijn opvolgers tot Diederik IV, die 
in 752 door zijn Hofmeier Pepijn werd afgezet, zijn 
bekend onder den naam van Merovingers. 

Gelijk gezegd is stonden de Ripuariers onder eigen 
Koningen. In Germania Secunda (België) bestonden 
behalve het Frankische koningrijk ook nog rijkjes van 
Nerviërs , Menapiërs , Tongeren en Morinen. Te Keulen 
zetelde de Koning der Ripuariers. Nadat hij in bond- 
genootschap met Clovis , den Koning der Saliërs (on- 
der wien met der tijd de Salische Franken vereenigd 
waren) de Alemannen geslagen had , werd hij , Sigebert, 
omstreeks het jaar 500 door zijn zoon Chloderick ver- 
moord , waarna Clovis het geslacht van Sigebert 
uitroeide en zich meester maakte ook van het Ripua- 
rische rijk. 

Clovis vergroote Ripuarië met negen provinciën en 
sedert sprak men van Austrasië d. i. het oostelijk 
deel van het rijk der Franken in tegenstelling van 
Neustrië, waarmede men het westelijk gedeelte bedoelde. 
Onder zijne zoons werd zijn rijk verdeeld. Diederik, 
een van deze, verkreeg in 5 1 1 Austrasië. Hij vestigde 
zijn zetel te Metz. Na dezen bestond onder de xMero- 
vingers Austrasië nu eens als afzonderlijk koningrijk, 
dan weder was het een tijd lang met Neustrië onder een 
scepter vereenigd •). 

De Merovingische Koningen voerden bijna altijd 
oorlog tegen buitenlandsche vijanden of onder elkander, 
gedurig hadden daardoor nieuwe landverdeelingen 



Digitized 



by Google 



plaats, zoodat de grenzen van Ripuarië niet altijd de- 
zelfde bleven. De naam bleef echter behouden , en het 
land zelf werd als een afzonderlijk hertogdom be- 
schouwd over 't welk een Hofmeier of Hertog het dadelijk 
gezag zal hebben uitgeoefend. 




Digitized 



by Google 



DE GOUEN IN HATTUARIE. 

II. 

Wat tot het hertogdom Ripuarië behoorde is thans 
niet met volkomen zekerheid op te geven *). De ker- 
kelijke verdeeling in bisdommen en decanaten kan 
hier geen onfeilbare wegwijzer zijn, St. Maternus , 
derde bisschop van Trier, eerste bisschop van Keulen, 
was ook bisschop van Tongeren. De drie zetels duiden 
op afzonderlijke landen in het begin der vierde eeuw, 
alzoo vóór de vestiging der Hattuariërs tusschen Rijn 
en Maas. De bisschopszetel van Tongeren werd later 
eerst naar Maastricht en ten slotte naar Luik verplaatst. 
Het oogenblik der vestiging van deze bisschoppelijke 
zetels , die gebleven zijn , zal beslissend geweest zijn , 
en tot iedere diocese gerekend wat toen onder den 
zelfden landvorst stond. Aken b. v. behoorde in 887 
nog tot de Keulsche diocese en kwam eerst later onder 
Luik. Zuidelijk strekte het bisdom Keulen zich verder 
uit dan waarschijnlijk het oude Ripuarië, waarvan 
men de oude grenzen naar dien kant nog meent terug 
te vinden en de namen Kolenscheid (scheiding van het 
Kolen woud) bij Aken , Eicherscheid bij Montjoie , 
Harperscheid en Reiferscheid (scheiding der Ripuariërs) 
bij Schleiden, Reiferscheid bij Aremberg en Franken 
bij Zinzig. — De grenzen van het bisdom Keulen zijn 



Digitized 



by Google 



in omgekeerde richting de volgende : van den Rijn 
boven Zinzig in zuidv\^estelijke richting naar de Use 
en Alve, een v\^einig boven hunne vereeniging slechts 
op een paar mijlen afstand van de Moesel , dan wes- 
telijk in een boog om Kijllberg, vervolgens in Noor- 
delijke richting , over de Nims en de Prumen , on- 
middelijk onder hunne bronnen opwaarts en weer wes- 
telijk en in een grooten boog om Malmedy, over de 
Warge en Wesdre , nabij de bronnen van laatstgenoemde 
rivier. Van daar liep de grens , noordelijk langs Aken 
en de bronnen der Worm , eerst op den rechter dan 
op den linker oever dier rivier, tot nabij haren mond 
in de Roer, van daar in oostelijke richting naar de 
bronnen der Niers , op den rechter oever van deze om 
Wickeraad , nu weder terug op den linker oever in 
rechte lijn tusschen Dalem (Luiksch)en Reydt (Keulsch) 
Waldniel en Duiken (K), Kaldekirchen (L) en Huis- 
boek (K), Venlo (L) en Heringen (K) naar de Maas 
boven Arsen. De Maas, de Waal en de Rijn vormden 
nu de grens tot Emmerik. Van hier volgde zij de 
landweer tot de Lippe en deze tot hare bronnen. De 
verdere grenzen van het bisdom beoosten den Rijn , 
zijn voor ons van geen belang. 

Ripuarië was in den Merovingischen tijd in gouen of 
graafschappen verdeeld , even als alle andere Franki- 
sche landen. De grenzen der gouen zijn ongetwijfeld 
nu en dan veranderd. Wij zullen daarvan een voor- 
beeld bijbrengen , dat in dadelijk verband staat met 
ons onderwerp. 

In de Maasgou vindt men vermeld *): Zusteren in 
714. Blarige en Walare (Blerik en Wylre) in de 8*** 



Digitized 



by Google 



10 

eeuw, Berg (St. Odilienberg bij Roermond) in 853, 
Masnic (Maastricht of Maasniel) en Betine (Besel) in 
922 , Casaile (Kessel) en Echt in 966. Het praedium 
Marsna (Meersen) waaronder behoorden Clunam (Klim- 
men), Litam (Limmel), Hertram (Herten), Angledure 
(Angleur) in 968 , Linni (Linnen bij Roermond) in 
1075 ^^ 1071 » Echt in comitaLu comitis de Los in 
II 28, Apine (Epen bij Wittem) in comitatu Frederici 
Ducis in 1056. 

Maar in 1075 ligt Epen bij Valkenburg, Montsen , 
Gummenich en Risweiler in de Akenergou , terwijl 
Herve, Vaals, Eupen en Valkenburg in 1041 in de 
Luikergou vermeld worden, en Herve vroeger, in 887, 
in de Arden nergou lag. 

Aken was vroeger een district, het stond ondereen 
burggraaf. Na 1056 werd dat district vergroot met 
een deel der Maasgou en ontstond eene Akenergou , 
dit mag men uit het voorstaande besluiten. Met Luik 
heeft iets dergelijks plaats gehad. De Luikergou ont- 
stond uit een deel van de Ardenner- en van de Maasgou. 
Uit de Rijksverdeeling van 837 zou men mogen op- 
maken dat toen de Molengou , de Betuwe , Hameland 
en Maasgou tot het hertogdom Ripuarië behoorden. 
In die van 839 worden Hameland, Betuwe, Teister- 
bant en Dorestad afzonderlijk genoemd , zij behoorden 
noch tot Friesland noch tot Saksen , terwijl het Her- 
togdom Ripuarië vroeger genoemd wordt. In de ver- 
deeling van 870 volgen na elkander de graafschappen 
Teisterbant , de Betuwe , de Hattuariën , opper en 
neder Maasgou (deze strekten zich uit op beide oevers 
der Maas) Luik , het district Aken , het district Tectis 



Digitized 



by Google 



II 

(dat is Theu en niet Maastricht)^ vijf graafschappen in 
Ripuarië, deMeyengou, deBedagou, deNitagau, enz. '). 

Hier zien wij dat Ripuarië als hertogdom zich uit- 
strekte ook over gewesten die tot de bisdommen van 
Utrecht en Keulen behoorden in 837. In het volgende 
jaar werden ze niet meer tot dat hertogdom gerekend, 
en in 870 , zijn de Ripuarische landen die tot de dio- 
cese van Keulen behoorden verdeeld in Ripuarische 
en Hattuarische graafschappen ; dit laatste wordt be- 
wezen door het meervoud van het gebruikte woord, 
maar ook het vermoeden bevestigd , dat zij onder één 
graaf stonden wat met de vijf Ripuarische graafschappen 
niet het geval was. De Ripuarische graafschappen in 
870 bedoeld kunnen geen andere geweest zijn dan de 
Ahrgou , Eifelgou , Zülpichgou , Julichgou en Keulsche 
of Gilgou ook Cutsgou genoemd. 

Onder de Hattuarische gouen zullen toen begrepen 
zijn de Molengou, de Neusergou, Hattuariergou en het 
district Nijmegen. 

In het westen grensde Hattuarie aan de Maasgou 
en de Maas. Zuidelijk zal de Foron de grens geweest 
zijn van de Oppermaasgou aan den linker oever der 
rivier. De grens tusschen Opper en Nedermaasgou is 
hier niet te bepalen. Noordelijk liep de Maasgou mis- 
schien tot de Swalm. Volgens de kerkelijke indeeling 
tot Arsen. Noordelijk daarvan lag aan de Maas de 
Pagus Ganapi of Gennepergou waarin in 950 Bechi en 
Awi , dat zal zijn BJyenbeek of Aayen in de Limburg- 
sche gemeente Bergen. Of die gou een ondergou was 
van Hattuarie of van de Maasgou is niet bekend. Ver- 
melding verdiend, dat in 927 voorkomt een Blitgeres- 



Digitized 



by Google 



12 



wilre in Achgou in het graafschap van Koenraad. Zoo 
met die plaats Blitterswijk bedoeld wordt, zou de 
Maasgou op den linkeroever zich ook niet veel lager 
dan tot tegenover Arsen hebben uitgestrekt. 

Norrenberg *) en Fahne geven verschillende opgaven 
van de Mühl- of Molengou. Norrenberg zegt dat zij 
zich uitstrekte tusschen Maas , Niers en Schwalm. 
Tusschen de bronnen van laatstgenoemde riviertjes 
maakte het nog een kleine inbuiging in Gulik. Wanlo 
en Heringen , zegt hij , bepalen ongeveer de grenzen 
tegenover de Attuariërgou. Erkelens en Juchen be- 
hoorden tot de Molengou. Hij acht de Molengou iden- 
tisch met het dekenaat Suchtelen , en uit het ver- 
moeden, dat Attuariërgou en Molengou identisch kunnen 
geweest zijn , op grond dat Stralen in 1 1 38 gezegd wordt 
gelegen te zijn in de Molengou , terwijl hij de Attua- 
riërgou identisch acht met het dekenaat Stralen. 

De grenzen der dekenaten zijn evenmin altijd de- 
zelfde gebleven als die der bisdommen. Fahne geeft 
veel grootere uitbreiding aan de Molengou dan Norren- 
berg. Hij geeft als grenzen op in het oosten de oude 
Rijn of de Crefelder , Stender, Langhorster , Aldekerker, 
Eylsche en Neukerker broeklanden , verder de Niers 
tot haar mond in de Maas , die rivier opwaarts tot de 
Schwalm , en deze opwaarts tot hare bronnen. Van 
daar met eene lijn om de vroegere heerlijkheid Erke- 
lens , en het ambt Gaster en verder waarschijnlijk langs 
de heerlijkheid Dyck, door het kleine broek en het 
Keulsche kerkdorp Wisslich naar het Crefelderbroek. 

Behalve het dekenaat Suchtelen rekent hij tot de 
Molengou het geheele dekenaat Gelder behalve Udem. 



Digitized 



by Google 



Het dekenaat Gelre zal voor de 13* eeuw geweest zijn 
het dekenaat Stralen, want toen bestond hetuit AlBferden, 
Aldekerk , Arsen , Asperde , Bergen , Beugen , Gelder , 
Gennep , Goch , Heyden , Hemmersum , Kessel , Neu- 
kerken , Stralen , Udem, Wolbeek, Wello, Werth , 
Wetten, Weese en Winnendonk. Daar wij een Genne- 
pergou leerden kennen en Gennep in het dekenaat Gelre 
lag, zou daar uit het vermoeden kunnen ontstaan, dat 
het dekenaat Stralen identisch geweest is met de Gen- 
nepergou. 

Fahne , die naar onze meening te groote uitgebreid- 
heid geeft aan de Molengou rekent de gou Nivenheim, 
later het ambt Hulchratb en de Neusergou tot Hat- 
tuarië. — Wij meenen dat de Erft de zuidelijke grens- 
rivier geweest is van het land der Hattuariërs tusschen 
Rijn en Maas. Vermoedelijk strekte het zich uit tot de 
Zonsbeek. Oostelijke grens was de Rijn , westelijke 
waarschijnhjk de Niers. Hammerden en Kappelen zijn 
dan de zuidelijkste plaatsen der Neusergou geweest. 
In de Hattuariergou wordt in 856 en 868 vermeld 
de Villa Geizefurt in de Odenheimer mark ») en bij 
de grensbepaling van een bosch aldaar opgenoemd de 
Niers, de Nerschina en de Lusgochesbach. Udem be- 
hoorde, gelijk wij zagen in de dertiende eeu w tot het 
dekenaat Gelre. Fahne zonderde Udem af van de plaatsen 
die hij in de Molengou onderstelde. Overigens acht 
hij de Hattuariergou identisch met het dekenaat Xanten 
dat zich ook over de dorpen in het Maas-waalsche 
uitstrekte en alzoo het vaste land der Batavieren tus- 
schen Rijn en Maas besloeg. — Over den Rijn strekte 
hij ook de Hattuariergou uit, tot welke hij de Duffel 



Digitized 



by Google 



M 

en de Hetter rekende , terwijl hooger op de Keldachgou 
de Roergou en Duisburgergou behoorden tot de Hattu- 
ariesche landen. 

Gregorius van Tours zegt, dat de Frankische Ko- 
ning Chlotarius II, die in 628 stierf, regeerde over 
een rijk waarvan Lippe en Rijn grenzen waren. De 
Hetter behoorde alzoo niet tot zijn gebied. Hetter 
beteekent grens of grensland, en het is alzoo zeer 
waarschijnlijk, dat in overouden tijd met dien naam 
werd aangeduid een gedeelte der agri decumates tus- 
schen den Rijn en de landweer die bij Emmerik be- 
gint tot de Lippe, de onbewoonde streek die later door 
Germanen bezet werd. De bovenvermelde mededeeling 
van Gregorius wettigt het vermoeden , dat deze land- 
streek ten tijde van Chlotarius bezet was door Chamaven. 
Fahne liet zich waarschijnlijk verlokken door de toe- 
vallige omstandigheid, dat de woorden Hetter en Hat- 
tuarië eenige overeenkomst in klank bezitten. 

De Duffel wordt tot de Betuwe gerekend. Deze was 
echter reeds in het bezit van Chlotarius II , en zal , 
daar zij op den linker oever van den hoofdstroom des 
Rijns lag , tot Hattuarië gerekend zijn , hoewel zij ker- 
kelijk tot het bisdom van Utrecht behoorde en onder 
het dekenaat van Emmerik stond. 




Digitized 



by Google 



HATTUARIE ONDER DE FRANKEN. 

lïl. 

Gelijk wij aantoonden , hebben de Hattuariërs op 
geen vreedzame wijze bezit genomen van de door hen 
bezette landen tusschen Rijn en Maas. Zij deden dat 
niettegenstaande het verzet van Romeinen en Sicambren 
en pastten derhalve ongetwijfeld het toen bestaande oor- 
logsrecht toe in volle gestrengheid. De stichtingen der 
Romeinen waren reeds vroeger grootendeels vernield, 
zij voltooiden die vernieling. Als alle barbaren waren 
ook de Hattuariërs niet zeer genegen zelf de hand aan 
den ploeg te slaan en spaarden daarom de land bou- 
wende bevolking, zich vergenoegende de aanzienlijken 
en grondeigenaars dood te slaan of te verjagen ^j. Tot 
de bevolking die zij spaarden behoorden colonen en 
laten , in wier toestand vooreerst weinig verandering 
kwam, dan dat zij van meester veranderden. De in den 
oorlog gemaakte buit werd gelijkelijk onder de krijgers 
verdeeld. De aanvoerders kregen geen grooter deel dan 
de soldaten. Allen die deel genomen hadden aan de 
verovering kregen alzöo" grondbezit. Het lot besliste 
,bij deze verdeeling. De op de toegedeelde gronden 
aanwezigen behoorden bij den grond. 



Digitized 



by Google 



i6 

De domeinen of kroongoed eren en de tempelgoederen 
bleven hunne bestemming behouden. De koningen 
hadden gedurende den tijd hunner regeering het gebruik 
der domeinen , doch daar het koningschap nog niet 
erfelijk was , konden zij over die goederen niet als 
eigendom beschikken. Domeingoederen dienden ook 
tot onderhoud der onder de Koningen staande amb- 
tenaren van het openbare gezag. 

Nadat de xMerovingers zich hadden meester gemaakt 
van Ripuarië , het koningschap erfelijk w^as geworden 
in hun geslacht en Clovis het Christendom had aan- 
genomen, kwam hierin verandering. 

De goederen die tot godsdienstige doeleinden waren 
afgezonderd , werden nadat de Koning der Franken 
het Christendom had aangenomen, domeingoederen en 
al meer en meer beschouden de Koningen de do- 
meinen als bezittingen van hun geslacht. Waarom 
zouden zij niet, daar ze het geheele rijk als een erf- 
goed beschouwden .> 

Het gevolg hiervan was, dat de Koningen domein- 
goederen in eigendom afstonden aan kerken , kloosters 
en gunstelingen en de . bezittingen der kroon daardoor 
verminderden , terwijJ zij door verbeurdverklaringen 
deze weder vermeerderden. Door deze schenkingen 
kregen eenige familiën groot overwicht over de minder 
gelukkige en bevoorrechte. In dien tijd van geweld 
dwongen deze niet zelden minder machtige grondeige- 
naars hunne bezittingen aan hen af te staan, of waren 
deze genoodzaakt dit te doen om niet met geweld uit 
hun eigendom verdreven te worden. Zij die hun 
goed afstonden, ontvingen het dan wederom onder 



Digitized 



by Google 



ï7 

meer of minder bezwarende voorwaarden in leen. 
Kleine geërfden en colonen werden niet zelden tot 
de laten stand terug gebracht, maar later werden zelfs 
edellieden laten. 

Door dit misbruik van macht ging de vrije boeren- 
stand, in den loop der eeuwen, in deze streken bijna 
geheel te niet. 

De groote grondeigenaren en de geestelijke heeren 
streefden naar immuniteit. Stiften en kloosters ver- 
wierven hierbij bevrijding van openbare diensten 
en belastingen, opheffing van onderworpenheid aan 
den openbaren rechter, enz. Om den verzwaarden druk 
van diensten en belastingen te ontgaan , begaven zich 
nu vele kleine geërfden in hoorigheid der geestelijke 
heeren. — Al meer en meer werd op die wijze het 
openbare recht vervangen door het hofrecht. 

In het Frankische rijk bestonden alzoo verscheidene 
bronnen van rechtsmacht. Vooreerst die des Rijks, 
welke vertegenwoordigd werd door den Koning en 
zijne graven. De graven waren in den beginne amb- 
tenaren. De Koningen droegen dat ambt liefst op aan 
lieden van mindere afkomst , aan zonen van laten of 
aan vrijgelaten slaven, maar toch bestonden er altijd 
graven van aanzienlijke afkomst en groote bezittingen. 
De inkomsten van de graven bestonden uit een of 
meer domeingoederen (beneficia of ambtsleenen) , en 
uit een derde deel der boeten. In den loop der tijden 
werd dit ambt erfelijk. De graven verkregen zulk 
een macht, dat het onmogelijk was den zoon of den 
broeder het ambt te weigeren, dat vader of broeder 
bezeten had. Zoo werd ook dit ambt familie-bezit- 

2 

Digitized by LjOOQIC 



i8 

ting. De grafelijke waardigheid verloor geheel en al 
het oorspronkelijk karakter. De graven verhieven zich 
van koninklijke ambtenaren tot onafhankelijke gerichts- 
heeren en vereenigden de vroegere ambtsgoederen met 
hunne erfgoederen (allodiale bezittingen) tot bijzon- 
dere territoriën. 

De geestelijke heeren hadden voor wereldlijke zaken 
voogden onder zich. Op dezelfde wijze verhieven zich 
de voogden tot heeren. 

Intusschen geschiedde dit slechts in den loop van 
eeuwen , langzamerhand, niet plotseling. Door misbruik 
of ontwikkeling, niet door eene revolutie. 

Vooreerst was het rijk verdeeld in hertogdommen, 
welke weder verdeeld waren in graafschappen. Deze 
waren weer verdeeld in centgraafschappen , ambten , 
tusschen Maas en Rijn honsc happen geheten aan wier 
hoofd honnen stonden , buurtrechters enz. allen onder- 
geschikten aan den graaf. 

Alle ambtenaren waren , voor zoover zij vasallen 
waren , dat is voor zoover aan hun ambt krijgsdienst 
verbonden was , vrije lieden (vasallus , fidelis). — 
Adel bestond vooreerst nog niet. Men had vrijen 
(Franci libri), en hoorigen van verschillende soort. 
De vrije verloor zijne persoonlijke vrijheid niet door 
het aanvaarden van eeü ambt. Zoolang echter de dienst 
duurde — zoolang hij het ambt bekleedde , — was hij 
aan hofrecht onderworpen en stond , zoo hij in dienst 
was van grondheeren , in niet tot hunnen dienst 
behoorende zaken onder het openbaar recht, maar 
men moest zich eerst tot zijn Heer wenden voor hij 
in het gerecht konde betrokken worden. Ook grond- 



Digitized 



by Google 



ï9 

heeren — wereldlijke en geestelijke , — die immuniteit 
bezaten, stelden nu en dan graven aan over sommige 
hunner goederen. 

Van die tot krijgsdienst verplichte ambtenaren waren 
zeer onderscheiden de dienstmannen (ministeriales). 
De huismeier , seneschal , maarschalk , kok , bakker en 
schenker, die ook « comités » genoemd werden , waren 
in den beginne alle onvrijen. Uit vasallen en ministe- 
rialen is de tegenwoordige oude adel ontstaan. Uit de 
krijgsdienst de hooge adel ; uit de vasallen en dienst- 
mannen der groote grond- en landheeren de ridder- 
schap of lageren adel. 

Hoewel bij de Germanen vroeger een adel bestond, 
die meerdere rechten bezat dan de stand der gewone 
vrijen , zoo heeft zich toch de tegenwoordige adel ont- 
wikkeld uit dienstbare toestanden en uit betrekkingen tot 
het hof des Konings of van een anderen heer. Alle 
anderen die zich niet tot den hoogeren of lageren adel 
konden verheffen, daalden met der tijd af tot den 
hoorigen boerenstand. Slechts in de rijks onmiddelbaar 
gebleven territoriën en in Westfalen en Friesland hebben 
zich nog tot in latere tijden rijksvrije lieden of rijks- 
lieden staande gehouden, totdat in de steden een 
nieuwe stand van vrijen (de burgerstand) optrad, en 
later de vrijheid algemeen werd. 

In de middeleeuwen was, bij het erfelijk worden der 
ambtsleenen, de onvrijheid bijna algemeen en in zekeren 
zin een voorrecht. De kleine vrije grondeigenaar kon 
zijne bezittingen niet beschermen tegen de talrijke ge- 
weldenaren , en de openbare macht geraakte hoe langer 
hoe meer in handen van deze. Om in rustig bezit te 



Digitized 



by Google 



20 

blijven, droeg hij zijne goederen op aan een machtig 
geestelijk of wereldlijk heer en ontving die weder in 
leen. In rijks- of koningsdienst te zijn , verzekerde 
groote voordeelen, die dienst was daarom zeer gezocht. 
In dienst van andere heeren genoot men de bescher- 
ming van deze, en had men gelegenheid om voor de toe- 
komst van zich en zijne kinderen te zorgen. 

De Koningen stonden soms geheele districten of 
graafschappen in eigendom af aan vasallen die in 
hunne gunst stonden. Zoo verkregen de graven van 
Holland door gunst en wapengeluk hun graafschap 
als een vrije bezitting, wegens welke zij wel verplich- 
ting erkenden jegens het Rijk, maar toch niet schroom- 
den zelfs tegen den Koning het zwaard te trekken , 
wanneer zij meenden door dezen in hunne rechten 
verkort te zijn. Zij behielden den titel van graaf, 
maar van de oude instelling bleef niets over dan dien 
naam. Zij regeerden als vrijmachtige hertogen, meer 
als bondgenoten, dan als vasallen des Rijks, zij, de 
vroegere dienaren des Konings, beschouwden den 
Koning , even als de vroegere grondheeren der Ger- 
manen in het voorfrankische tijdvak, als een primus 
inter pares, als de eerste onder hunne gelijken. 

Zulke zelfstandig geworden graven noemden zich 
vorstelijke graven en werden niet zelden Hertogen 
genoemd. 

Uit de indeeling der krijgsmacht in heerschilden 
kan men omtrent de standen in de Middeleeuwen veel 
leeren. Die indeeling verdient hier vermelding , omdat 
ze bepaaldelijk van nut kan zijn bij de behandeling 
der geschiedenis van Gelre en Cleve. 



Digitized 



by Google 



21 

In het eerste heerschild stond de Koning, in het tweede 
de geestelijke grooten , dat is zulke aartsbisschoppen, 
bisschoppen en abten die wereldlijk gebied bezaten , 
in het derde de wereldlijke Vorsten , in het vierde de 
graven en vrijheeren. Het vijfde heerschild bestond 
uit baanderheeren en middelvrijen , en dat waren de 
praefecten, judices , burggraven en kastelijns of slot- 
voogden, omdat zij ook vrije mannen onder zich hadden. 
Het zelfde heerschild bestond uit vasallen en dienst- 
lieden der baanderheeren , zij hadden geen ridderlijke 
manschap , maar alle mannen van vrije , eerlijke af- 
komst, die niet eigen waren, onder zich en eindelijk 
het zevende : de burgers der vrije steden , nl. van 
zulke steden , die autonomie verkregen hadden , die 
immuniteit bezaten. De adel wilde hen niet erkennen, 
daar men niet wist of zij het leenrecht bezaten (lehn 
fahig waren). Lotharius II had hen echter in de i2* 
eeuw in het bezit van dat recht verklaard. 

In bijna alle Geldersche geschiedenissen vindt men 
vermeld , dat de graven van Gelre ontstaan zijn uit 
praefecti of voogden van GeJre. Van Spaen heeft reeds 
gewezen op de verwarring die ontstaan is] in het ge- 
bruik dezer woorden. 

Uit de lijst der burggraven van Utrecht blijkt, dat 
de titel praefectus gelijk staat met dien van judex d. i. 
rechter en castellanus of slotvoogd , zulke praefecten' 
waren baanderheeren en volgden op de vrijheeren en 
graven. Zij behoorden tot het vijfde heerschild. Terwijl 
de vrijheeren hunne rechtsmacht bezat'Cn krachtems 
eigendom van eene heerlijkheid, allodiaal of leengoed, 
ontleenden de baanderheeren die aan hun ambt in 

Digitized by LjOOQIC 



22 



dienst van Koning of landsheer. Vrijheeren baanderheer 
zijn derhalve geen titels van gelijke beteekenis. 

Van zulke baanderheeren , stedevoogden, burggraven 
of burchtvoogden , moeten onderscheiden worden de 
advokaten van geestelijke gestichten , corporatien of 
kerken , die ook voogden genoemd werden. Kerken noch 
geestelijke gestichten konden zelf in rechten optreden 
of zaken doen die rechtskracht moesten bezitten. Geen 
bisschop of abt of plebaan kon zelf zijn bisdom, abdy of 
parochie vertegenwoordigen *). Zij hadden een doode hand 
en alles wat in rechten gelden zou, moest door de 
levende hand geschieden. Door deze moesten goederen 
verkregen of vervreemd worden. Dergelijke voogden 
waren de wereldlijke beschermers van kerken en kloos- 
ters. De voogden van kerken noemde men ook pa- 
tronen. Soms heette de voogd « Comes vulgaris » '). De 
voogden en patronen waren niet altijd zeer aanzienlijke 
personen. Soms waren aanzienlijke grondheeren of 
landsheeren voogden. Soms ook wel lieden die slechts 
geringe bezittingen hadden , en niet zelden ondervonden 
de geestelijke goederen nadeelige gevolgen door de 
hebzucht van eerstgenoemden en door de armoede 
van de anderen. 

Verder komen nog voor als vrije personen in dienst 
van kerkelijke heeren of van vrouwen milites, dat is 
ridders of krijgslieden. Mogelijk komen die milites 
overeen met de italiaansche condotieri , — in zooverre 
dat zij een of ander klein ambtsleen bezaten , in tijd 
van oorlog geen vasallen of dienstmannen konden op- 
roepen , maar dan aan het hoofd stonden van gehuurde 
krijgers , die zij voor zekeren tijd en met een bepaald 

dby Google 



Digitized b 



23 

doel aanwierven ; mogelijk waren zij in het bezit van 
wat men later een riddergoed noemde, zeer zeker 
was hunne betrekking geen aanzienlijke , hoewel ook 
-vrijen en van adelijke afkomst als milites in dezen zin 
voorkomen. 




Digitized 



by Google 



DE MEROVINGERS. 
IV. 

De geschiedenis van de regeering der Merovingische 
Koningen is in alle beteekenissen van het woord eene 
duistere. Na den dood van Clovis, kleinzoon van 
Merovaeus in 511, verkreeg Clovis' zoon Diederik M 
de oostelijke provinciën van het Frankische Rijk. Deze 
werden toen Austrasië genoemd. Tot 752, toen Pepijn 
DE Kleine de hofmeier van Chilperik III dien koning 
afzette en in een klooster deed opsluiten, had Au- 
strasië nu eens eigen Koningen uit het Merovingi- 
sche huis, en was het nu en dan voor korter of langer 
tijd met Neutrië onder een schepter vereenigd. 

De Koningen van Austrasië zetelden gewoonlijk te 
Metz. Austrasië was in Hertogdommen verdeeld. Ri- 
puarië vormde onder hen zulk een Hertogdom. Soms 
waren onder dat Hertogdom de Hattuarische graaf- 
schappen begrepen. 

De eerste Mero vingers waren woestelingen, zij hand- 
haafden niet alleen hun gezag, maar breidden het uit, 
want zij waren ook krachtig van lichaam en geest. 
Tusschen 512 en 520 deden de Deenen een inval in 
een gedeelte van Hattuarie. Diederik sloeg hen met 
hulp der Friesen , naar men wil bij Cuik aan de Maas. 
Childebert vernielde in 594 de Varnen , die naar men 



Digitized 



by Google 



25 

meent in Zuid-Holland woonden waar hun naam nog 
zou zijn bewaard gebleven in den naam van het dorp 
Warmond. Daar deze plaats echter benoorden den 
Rijn ligt en, gelijk wij zagen, Gregorius van Tours 
den Rijn opgeeft als grens der Franken in 628, is 
dit onwaarschijnlijk ; nog onwaarschijnlijker is het , 
dat de Warnen bij Tongeren zouden gewoond hebben. 
Mogelijk bewoonden zij Zuid-Hollandscheof Zeeuwsche 
eilanden. 

De oorlogen der Merovingers, onderling en tegen 
buitenlandsche vijanden, liggen echter buiten het bestek 
van ons werk. 

De Frankische Koningen stelden een hoofd aan over 
het hofgezin , dat is , over allen die tot het koninklijke 
huis behoorden , onder den titel van Major Domus , 
't welk vertaald wordt door het woord Hofmeier. De 
hofmeier bleef echter niet lang een ministerialis of 
dienstman , als hij 't ooit geweest is , want wij leeren 
de eersten, die als zoodanig vermeld worden kennen 
als aanvoerders in oorlogen , als Hertogen die het bevel 
voerden over een aantal graven , en soms aan het 
hoofd stonden van geheel het leger. Dit was bepaald 
het geval met de laatste hofmeiers, — Pepijn van 
Laj^den, onder Chlotarius I, was een zoon van Car- 
LOMAN heer van Landen. De overlevering zegt, dat 
zii'n geslacht afkomstig was van Xanten; lateren zijn 
van meening dat zijn geslacht te huis behoorde tus- 
scfcen Rijn en Maas benoorden de Amblève. — Ver- 
moedelijk was hij alzoo van afkomst een Ripuariër, 
door het huwelijk zijner dochter Begga met Ansegisus, 
of Adelgisus, een Romein van afkomst, werd zijn 



Digitized 



by Google 



26 

geslacht voortgezet en diens zoon Pepijn van Herstal, 
na den dood van zijn moeders broeder Grimoald , 
hofmeier. 

Pepijn van Landen was in 639 gestorven en toen 
werd Otto, zoon van Werner, die onderwijzer ge- 
weest was van Koning Sigebert, zoon van den in 633 
overleden Koning Dagobert, Major Domus van Austrasië. 

Genoemden Werner , graaf onder Dagobert I rekent 
J. M. Kremer stamvader ook van het huis van Nassau — 
ook van Koenraad Koning van Duitschland die de 
Salier genoemd wordt. Werner schijnt derhalve van 
Salische afkomst geweest te zijn 

Grimoald was hiermede niet tevreden. Hij had de 
nederlandsche Austrasiërs op zijne zijde, en zich in 
het bijzonder verzekerd van den bijstand van den 
Keulschen bisschop. Gedurende drie jaren voerde hij 
oorlog met Otto totdat hij in Leutharius Hertog van 
Alemannië een bondgenoot vond , die Otto in 642 
vermoorde. 

Grimoald stelde zijn zoon Childebert aan tot Koning 
van Austrasië. Deze regeerde slechts vijf maanden en 
kort na zijn dood stierf de hofmeier Grimoald in 656, 
en werd opgevolgd door Ebroïn. Van 664 tot 681 
handhaafde deze zich in bloedige oorlogen tegen Pepij>" 
VAN Herstal, door wien hij in 678 bij Laon werd 
geslagen, in 681 werd hij vermoord door Graaf 
Ermenfried. 

Koning Diederik III was in 670 tot Koning benoemd, 
doch in het klooster van St. Denis opgesloten , in 671 
trad hij feitelijk als Koning op en overleed in 691. 

Na Ebroïn stelde Diederik Warato aan, die oa 



Digitized 



by Google 



27 

weinig tijd gevolgd werd door zijn zoon Gislemar. 
Deze stierf echter kort daarop en Warato werd 
op nieuw hofmeier van Austrasië. Warato stierf in 
689 en ]bem volgde Bertharius of Bercharius; iemand, 
zegt EccARD in de Frawc. OW^., van gering voorkomen, 
onbekwaam in zaken, en onnuttig als raadsman. 
J. M. Kremer meent, dat hij een zoon was van den 
vroegeren hofmeier Otto. Hij huwde Adelheid dochter 
van V^'arato en bleef niet langer dan drie jaren hof- 
meier, na welken tijd hij in den slag bij Tetri werd 
overwonnen en op aanzetting van zijne schoonmoeder 
Ansflede in 692 vermoord. Zijn hem in Neustrië ge- 
geven Hertogdom Bourgondië werd toen toegekend 
aan Pepijn en door dezen gegeven aan zijn zoon 
Drogo, die in het huwelijk trad met Bercharius' 
dochter Adeltrud *). 

De Merovingers waren sedert 688 tot schijnkoningen 
verlaagd. De volgende hofmeiers uit het geslacht van 
Pepïjn regeerden feitelijk het Frankische rijk, totdat 
Pepijn de Kleine in 752 den laatsten Merovingers 
afzette en zich zelf tot Koning verhief. Zijn zoon , de 
beroemde Karel, die terecht de Groote wordt genoemd, 
vvrerd de stamvader van een nieuw regeerend huis, 
dat der Carolingsche. 

Tot den tijd van Karel de Groote hebben wij een 
groot gebrek aan oorkonden uit welke het mogelijk 
zou zijn goede territoriale en genealogische geschied- 
boeken samen te stellen. De geschiedenis der Hat- 
tuarische gouen in het Merovingsche tijdvak zal wel 
altijd, wat ten minste bijzonderheden betreft, voor 
ons verborgen blijven. Sedert 628 was het gebied der 

Digitized by LjOOQlC 



28 

Franken in de Nederlanden zeker niet uitgebreid, mo- 
gelijk zelfs ingekrompen. Volgens Otto Scarlensis 
deden de Franken onder Koning Chlotariis een inval 
in Friesland ') bij welke gelegenheid de Friesche 
Koning Beroajld sneuvelde, maar, gelijk vii] zagen, 
strekte zich Chlotarius' gebied hier niet verder uit dan 
tot den Rijn, en na 628 was Adgil Koning der 
Friesen nog te Duurstede gevestigd, zoodat toen Rijn, 
Lek en Maas grenzen zullen geweest zijn van het 
Frankische rijk. Bij de Rijks verdeelingen in de negende 
eeuw wordt nog gesproken van Friesland tot de Maas. 
Na den slag bij Tetri in 689 werd echter besloten na 
te gaan welke landen vroeger Frankisch geweest 
waren *). Daarvan was een oorlog met de Friesen en 
Saksen het gevolg, later maakte Karel de Groote 
aanspraak op alle landen die aan de Romeinen schat- 
plichtig geweest waren , als opvolger der Westersche 
Keizers. Men ziet het, Lodewijk XIV van Frankrijk 
vond niets nieuws uit, toen hij zijne Ckambre des 
inscriptions instelde. 

r: De oudst bekende oorkonde die wij met betrekking tot 
deze streken bezitten is eene, die door Bn. Sloet wordt 
toegeschreven aan Koning Diederik III en gegeven is 
tusschen de jaren 673 en 691. In dat stuk worden 

^ vermeld Ressen , Wolfaren en de bejde Rothemj . In 
Hespengou en Ripuarië: «Haimbecha, Halmala, Torona, 
et inter Altheim Maridas, Ambron, Musinium, Groseas, 
dat zal zijn : Heimbach bij Schleiden , of Holbeek bij Bil- 
sen , Halmael bij St. Truien, Trognée a/d Jeker, de 
daar volgende namen hebben wij niet terecht kunnen 
brengen. 



Digitized 



by Google 



Eene andere giftbrief is door Bn. Sloet in zijn 
oorkondenboek opgenomen n°. 3 , en geplaatst in het 
jaar 720. — Zij werd gegeven in het eerste jaar van 
zekeren Koning Diederik. Bn. Sloet zegt dat geen 
andere Koning kan bedoeld zijn dan de IV van dien 
naam. Van Spaen twijfelde aan de echtheid. Zeker is 
het , dat , wanneer achter de vermelding van de kerk 
van Kinderen de woorden «ubi nunc dominus pater 
et pontifex Willebrordus episcopus custos esse videtur» , 
echt zijn, de oorkonde op dat jaar moet gebracht worden. 
Dit is evenwel aan grooten twijfel onderhevig. De 
uitgaaf van Perdessus is genomen naar het Gouden Boek 
der door Willebrord gestichte abdij van Epternach, 
onmogelijk is het niet, dat die woorden bij het over- 
schrijven in genoemd boek zijn ingevoegd. De formule 
zelf is zonderling. Waarom schijnt Willebrord custos 
te zijn? — Waarom leest men niet, «custos est?» 
Omdat een kantteekening luidde : ubi — etc. — tune 
custos fuisse videtur, en Ebroïn zijne schenking d^ed 
in het eerste jaar van Koning Diederik III nl., in 673 *). 

In dien tijd was Ebroïn zijn hofmeester. De in de 
oorkonde vermelde Ebroïn noemt zich zoon van Oda, 
gelijk blijkt een mansnaam , en alzoo een andere vorm 
van den meergebruikelijken Otto. Uit onze opgaaf 
van de hofmeiers is gebleken, dat na Otto, zoon van 
Werner , volgde Grimoald uit een ander geslacht, en 
na diens dood Ebroïn. Het licht voor de hand aan te 
nemen , dat deze geweest is een zoon van den in 642 
vermoorden Otto. 

J. M. Kremer stelt Bercharius die in 689 hofmeier 
werd een zoon van dien Otto, doch deze was reeds 



Digitized 



by Google 



30 

47 jaren vroeger vermoord welk lot Ebroïn in 68 1 
onderging, alzoo acht jaar voor het optreden van 
Bercharius. Deze cijfers laten toe te onderstellen, dat 
Bercharius een zoon is geweest van Otto, en jonger 
broeder van Ebroïn. 

De brief van graaf Ebroïn is gegeven te Rinderen 
in de Dufifel, en de door hem aan de kerk aldaar ge- 
schonken goederen lagen in dezelfde landstreek , die 
tot de Betuwe gerekend werd. 

Daar bestond ten tijde van Koning Childebert alzoo 
tusschen 695 en 711 een graaf Everhard, die zich met 
buitenlandsche vijanden tegen den Koning verbonden 
had en wiens bezittingen te Eist daarom werden ver- 
beurd verklaard ; zij werden in 726 aan bisschop Wijl- 
LEBRORD geschonken. 

In een brief van 9 Oct. 794 komt hier te lande, in 
Hameland, voor een Everhard zoon van Brunharius. 
Die naam komt wel overeen met Bercharius, welke 
gedragen werd door den zoon van Otto. Afstamming 
van deze achtereenvolgend in oorkonden voorkomende 
heeren aannemende van den Hofmeier Otto, zoon van 
Bercharius of Werner (f 642) zou men komen tot het 
besluit , dat Otto's zoon geweest is Ebroïn (f 681), 
diens broeder Bercharius (stierf 692) van wien twee 
zoon Otto en Everhard (afgezet tusschen 719 en 721) 
wiens zoon was Brunharius , Bruno of Bercharius , 
Benno , Wernher vader van Everhard , die in 794 Graaf 
was in Hameland. — Volgens J. M. Kremer toch had 
de hofmeier Bercharius een zoon, Otto graaf van de 
Wormsgou, dien hij tot de stamvaders rekent van het 
buis van Nassau. — Van den anderen zoon van Ber- 



Digitized 



by Google 



31 

cHARius, van Everhard, zullen volgens onze meening 
afstammen de Graven van Hameland en van de Nordgou 
in den Elsas •). 

De buitenlandsche vijanden met welke graaf Everhard 
had samengespannen v\^aren* ongetwijfeld de Friesen. 
Koning Dagobert had in 630 reeds een kerkje gesticht 
te Utrecht en daar zetelde nog in 678 Koning Adgil, 
die met de Franken bevriend was , maar na diens dood 
geraakten de Friesen in oorlog met de Franken. De 
hofmeier Pepijn sloeg in 689 hun Koning Radboud. 
Adgil was in 679 gestorven en Radboud was, naar 
de Frankisch gezinde schrijvers berichtten, de aanvaller 
geweest. Mogelijk heeft hij zich in het begin der 
vijandelijkheden, ongeveer in het jaar 688 of 689, meester 
gemaakt van de Betuwe en was Everhard daarbij hem 
toegevallen. 




Digitized 



by Google 



DE GRONDHEEREN. 

V. 

Ripuarië werd niet door wapengeweld aan de Saliërs 
onderworpen maar bij verdrag. De toestanden in Ripuarië 
veranderden daarom niet door de annexatie wat althans 
den grondeigendom betrof. Clovis trad na het ver- 
moorden van SiGEBERT en zijne zoons Chloderich , 
RiCHAR en RicHNOMiR in de rechten van dezen en ver- 
kreeg hunne bezittingen en de domeinen der kroon , 
deze laatste ook als kroondomein. 

Nadat hij het Christendom had aangenomen vielen 
ook de tempelgoederen aan de kroon , want de Me- 
rovingers waren niet zoo goedgeefsch voor kerken en 
kloosters als de Carolingers en hunne voorvaderen in 
den laatst en tijd van hun hof meierschap. 

Staatkundig was het van de Merovingers, dat zij de 
verschillende gedeelten van het Frankisch rijk stelden 
onder opperbestuur van personen die tot andere stammen 
behoorden. Zoo kwamen Ripuarië en Hattuarië onder 
het bestuur van hofmeiers uit Neutrië, afkomstig van 
Saliërs. Ook over Moeselanië, den Elsas en Frankenland 
van de Neckar tot aan de Wied of Sieg. Daarentegen 
zullen Ripuariërs geplaatst zijn aan het hoofd der 
ambtenaren in de vroeger Salische gewesten. De Mero- 
vingers behoorden tot den stam der Sicambren , de 



Digitized 



by Google 



33 

voorzaten hunner graven in Austrasie waren of hunne 
stamverwanten of behoorden tot een anderen Salischen 
stam. Pepyn van Landen en de Neustrische hofmeiers 
van zijn geslacht waren vermoedelijk van afkomst 
Hattuariërs. 

Nettesheim, en anderen zijn van oordeel , dat een 
groot deel van Hattuarie kroongoed was der Frankische 
Koningen. Onder de tempelgoederen die aan hen ge- 
komen waren noemt hij de palts Nijmegen met het 
Reichswald , de villa Geisefurth , Herungen bij Kalde- 
kirchen, Freimarshausen, Himberg, Kassei, enz. Net- 
tesheim meent , dat het geheele land van Meurs in 
het bezit was van Karel den Grooten , zoo ook het 
geheele land van Gelder. 

De Pepijnen arbeidden krachtig tot het bevorderen 
van landbouw , handel , nijverheid en verkeer in 
deze streken. De villa Piperloo en de Pipelsbrug bij 
Susteren vereeuwigden daar hun naam. In hun tijd 
werd het christendom er algemeen, Suibert en Wil- 
LEBRORD verkondigden er toen het evangelie; de hei- 
lige Oda stichte het klooster te Venray en volgens 
overlevering heeft Pepijn van Herstal aan den Neder- 
rijn en de Nedermaas alleen, twintig Benedictijner kloos- 
ters , dertien kanunikale kerken , zes adelijke stiften 
en zes abdijen gesticht. 

Die getallen mogen overdreven zijn , in het alge- 
meen valt aan de waarheid van het door Nettesheim 
gestelde niet te twijfelen, evenwel duidt de vermelding 
der Udenheimermark aan, dat daarin wel Geise- 
fart kroongoed was , of eigendom des Keizers , maar 
niet de geheele mark , zoodat daarin ook anderen ge- 

Digitized by LjOOQIC 



34 

goed waren.' De archieven van Xanten zijn door brand 
vernield , uit giftbrieven daarin aanwezig geweest zou 
ongetwijfeld blijken , dat in der tijd der Merovingers 
schenkingen door grondheeren aan die kerk gedaan 
zijn. Het bijna volslagen gebrek aan oorkonden betref- 
fende de plaatsen in het vroegere ambt tusschen Maas 
en Waal leiden tot de onderstelling, dat daar weinig 
of geen domeinen gelegen hebben en het land groo- 
tendeels behoorde aan bijzondere grondheeren. In de 
Geldersche kempen hadden de grondheeren een Eeninge 
gesloten tot handhaving hunner rechten , welke Eeninge 
nog zeer lang bestond , een bewijs , dat hier eigen 
grondbezit algemeen was. Ook in later tijd vindt men 
hier en daar marken vermeld en overal vindt men in 
Hattuarie hoven en vrije goederen en deze bewijzen , 
daar zij van ouds bestaan , ook het bestaan eener vrije 
edele bevolking , daar vrijheid en adel eensluidend was 
met het bezitten van grondeigendom. Graaf Ebroïn 
had allodiale bezittingen in de Duffel , behalve de ambts- 
leenen, want zulke had hij niet eigenmachtig kunnen 
wegschenken. 

De stad Gelder was in het begin der elfde eeuw 
eene bezitting van Mengosus ^). Het Nederambt van 
Gelre (het gebied Pont) , behoorde tot de parochie 
(mark) Stralen, dat eigendom was van Godizo. Veert 
bij Pont behoorde ten deele aan den graaf van Gelre 
en aan het domstift van Utrecht. Van Wetten en Keve- 
laar schijnen van ouds de Graven van Gelre grond- 
heeren geweest te zijn, terwijl het gebied van Capelle 
nog in de 14* eeuw onder onderscheidene grondheeren 
verdeeld was. De ambten Wachtendonk en Krieken- 



Digitized 



by Google 



35 

beek behoorden ook niet tot het domein , zoodat wat 
het graafschap Gelre betreft, alleen de Voogdij als 
vroeger domein in aanmerking komt. 

Een gedeelte der Molengou behoorde later aan Gulik>). 
Wanneer men van een gedeelte tot het geheel mag 
besluiten , dan is men na het lezen der voortreffelijke 
monographie van D'. Norrenberg over Grefrath over- 
tuigd, dat men ook hier met een oude marke te doen 
heeft. Men vindt hier adelijke goederen , leengoederen 
en laten-goederen in de heerlijkheid , die ongetwijfeld 
ontstaan zijn door verandering der marke in eene grond- 
heerlijkheid. Wanneer of hoe die verandering ontstaan 
is blijkt niet. 

Zeker is dit geschied, hetzij door machtmisbruik of 
door vrij willigen afstand van de in de marke ge- 
waarden. In Loberich vermeldt Fahne als geheel vrij • 
de hof te Heithuizen , die hij niet meer wist aan te 
duiden. Ook dat allodiaal goed zal later in een leen- 
goed veranderd zijn. 

Van de geschiedenis van de Neusergou, is vooreerst 
nog niet veel te vinden 'j. 

Karel de Groote schonk omstreeks het jaar 812 
honderd dertig en een halve hoeve in die gou aan 
Werden. Onder deze vijf en een halve hoeve te Meurs, 
maar in het testament van zekeren graaf Everhard *), 
in 837 , verkreeg zijne dochter Heilwech , wat hare 
ouders bezaten te Hostrenheim, Luisinga, Mendossa 
en eene hoeve in Engestein, waarschijnlijk plaatsen 
bij Meurs , terwijl hare zusters verkregen : Ingeltrud 
Ermen en Maressen (Herten en Mersem bij Roermond) 
en JuDiTH Belginga en Helessem (Baal en Helsum) in 

Digitized by LjOOQlC 



3Ö 

de Molengou. Deze goederen waren ongetwijfeld allo- 
diale bezittingen van Everhard en bewijzen, dat 
toen ter tijd nog velen tusschen Rijn en Maas vrij 
waren van den leenband. Ongetwijfeld is het getal der 
allodiale goederen ten tijde der Mero vingers zeer groot 
geweest en later gedurig ingekrompen , waarbij de 
marken te niet gingen door verandering in heerlijk- 
heden en door splitsing* Vooral was het eerste een ge- 
volg van het onder de Carolingers ingevoerde beginsel, 
dat alle woeste gronden die geen dadelijken eigenaar 
hadden , d;e niet behoorden bij een bepaald goed 
maar nog overdeeld waren , behoorden aan de kroon. 
Daar de landbouw in vele gedeelten des lands niet 
zonder die woeste gronden bestaan kond, moesten 
de landbouwers wel cijnsplichtig worden aan den eige- 
naar dier gronden. De kleine grondheeren (ieder eige- 
naar van een vrij stuk grond was grondheer) ver- 
dwenen toen en in hunne plaats trad op als grondheer 
de fiscus of de Koning, die toen hij alle domein als 
familiegoed beschouwde in leen of in eigendom over 
land en lieden beschikte welke op deze wijze van 
vrije rijkslieden , van vrije Franken , langzamerhand 
afhankelijk geworden waren en ten slotte meest alle 
in hoorigen staat werden gebracht. 




Digitized 



by Google 



GOUGRAVEN. 
VI. 

De gouwea werden van 's koningswege bestuurd 
door graven. Deze koninklijke graven hadden een of 
meer gouen onder zich. De namen van vele gouen 
waren ontleend aan de gerecht splaats , het mallum , 
een open veld gekenmerkt door een boom , steen of 
paal , of aan de gesteldheid van den bodem. Fahne 
denkt bij de Molengou aan het eerste. Norrenberg 
aan het andere. De Hattuariërgou ontleende haar naam 
aan de Hattuariërs. Hoe die gou voor dien tijd heette 
is onbekend: ik vermoed de Hainsau of het Boschland. 

Later verdwijnen de gouen en komen daarvoor graaf- 
schappen in de plaats , die meestal genoemd werden 
naar den zetel van den graaf. 

Van de gougraven in Hattuarië valt niet veel te 
zeggen. 

In 856 wordt een paltsgraaf Ansfried vermeld , die 
in de Hattuariërgou de villa Geisefurt aan de Niers 
verkreeg van Keizer Lotharius II , met een villa in 
Sodoia aan de Geldione in het landschap Limmen. 

In 863 staat hij , zich noemende Dei gratia comes , 
zijne bezitting in . Hattuarië af aan het klooster van 
Lauresham , mits de abt hem geve de goederen die te 
Gent in de Betuwe aan dat klooster behoorden , om 



Digitized 



by Google 



die te gebruiken gedurende zijn leven en dat van zijn 
zoon HiLTiwARD. lu de onderteekening komt hij voor 
als comes palatinus. Men mag vermoeden , dat hij 
geweest is een voorvader van den bekenden Utrecht- 
schen bisschop Ansfried, die in loio stierf, maar er 
is geen reden hem graaf van Hattuarië te achten. Daar 
hij Geisefurt ruilde tegen eene bezitting te Gent en 
zich zelven comes palatinus noemde, schijnt hij 
paltsgraaf van Nijmegen geweest te zijn. 

In de Maasgou vindt men in 908 een Albuinus en 
RuDOLFus in 966. In Gennepergou Arnold in 950 , in Mo- 
lengou in 966 Ehrenfried. Meer hebben wij van de 
gougraven niet kunnen ontdekken. Ehrenfried wordt 
graaf genoemd en is mogelijk een ander geweest als 
paltsgraaf Ehrenfried, die omstreeks het jaar 954 ge- 
boren werd en in 1035 stierf. 




Digitized 



by Google 



DE HESPENGOUERS. 
VII. 

Hoe gering de gegevens ook zijn , die men bezit 
met de betrekking tot de Gougraven in Hattuarie vóór 
de II* eeuw, zoo kunnen zij toch tot leidraad dienen 
ter teekening der geslachten uit welke die graven af- 
komstig waren. Even als de paleiontologen dieren her- 
kennen aan enkele in den bodem gevonden beenderen, 
moeten wij beproeven uit weinige gegevens , uit enkele 
karaktertrekken , een geheel op te bouwen. 

Balderik bisschop van Utrecht, noemt zich zelven 
in een brief van 24 Juni 943 zoon van graaf Reinier, 
wiens andere zoon , alzoo bisschops broeder , Neveling, 
vader was van een jongeren graaf Reinier. Zoons van 
dezen neef des bisschops waren Balderik en Rudolf. 

De bisschop schonk aan zijn neef en diens zoons 
in vruchtgebruik goederen te Rura, Lietdorp, Linne, 
Soletheim , Flothorp , Ascalin , Malicaliol en Curnelo 
d. i. te Rurich bij Linnich, Linne a/d Maas, Selsen bij 
Heinsberg, Vlodorp bij Heinsberg, Eschwiler bij 
idem, Melik bij Roermond, Kirkhoven bij idem, alle 
in de Maasgou i). Na den dood van Reinier zouden 
die goederen komen aan diens zoon Balderik en als 
deze stierf aan Rudolf. 

Bisschop Balderik wordt gezegd geboren te zijn 



Digitized 



by Google 



40 

te Kleef, volgens anderen was hij een zoon van 
RixFRiED en broeder van Lodewijk, graven van 
Kleef. 

Wat de namen van den vader van bisschop Balderik 
van zijn broeder en neven betreft, mag men aannemen 
dat de in bovenvermelde oorkonde opgegevene juist 
zijn. Ook bestonden in zijn tijd nog geen graven van 
Kleef. Toch is het zeer wel mogelijk dat Reinier, 
vader van Balderik bisschop van Utrecht , gezag heeft 
uitgeoefend over een gedeelte van het latere Kleefs- 
land »). 

De namen Rudolf en Balderik komen ook voor 
onder de eerste historische graven van Los of Loon. 
Rudolf de eerst bekende graaf van Hespergou, uit 
wien de graven van Loon gezegd worden af te stammen, 
werd in 966 afgezet, en na een tusschen bestuur van 
zekeren Berenger , opgevolgd door zijn zoon Arnold I, 
die in 1016 dood was. Hij had geen zoon's. Zijn op- 
volger in Loon was Gijsbert, zoon van Lodewijk broeder 
van Arnold. Een andere zoon van Lodewijk, Balderik 
geheten , was bisschop van Luik. 

Algemeen stelt men Rudolf , graaf van Hespengou 
een zoon van Reinier II graaf van Henegouen , die voor 
932 overleed. Daar Rudolf echter in 966 werd afgezet 
(waarschijnlijk was hij betrokken in de samenzwering 
van Adalbert , markgraaf van Ivrea , die ook aanhan- 
gers in Duitschland vond), kan hij moeilijk een zoon 
geweest zijn van Reinier II, wel echter van den an- 
deren Reinier zoon van Neveling , die in 943 nog leefde. 
De vader van Neveling heette, zooals uit den brief 
van Bisschop Balderik blijkt. Reinier. Deze zou kunnen 



Digitized 



by Google 



4ï 

geweest zijn Reinier I van Henegouen , bijgenaamd 
Reinier Langhals die in 916 overleed, bij zijne vrouw 
Alberade nalatende twee zoons Giselbert, die na hem 
hertog van Lotharingen werd , en Reinier graaf van 
Henegouen en eene dochter gehuwd aan Berenger 
graaf van Lomme of Namen. 

Moeilijk echter is het aan te nemen , dat , wanneer 
de vader van bisschop Balderik hertog van Lotha- 
ringen geweest was, hij zelf hem slechts graaf zou ge- 
noemd hebben en vooral dat door geen der Utrechtsche 
schrijvers daarvan niets zou zijn geboekt. Graaf Reinier 
vader van bisschop Balderik , zal derhalve wel een 
minder aanzienlijk persoon geweest zijn. 

Na de afzetting van Rudolf , graaf van Hespengóu , 
heeft dat graafschap eenigen tijd gestaan onder een 
Berenger. Deze kan niet geweest zijn Berenger , graaf 
van Lomme, want deze was in 932 al overleden. Hij 
vv^as gehuwd met Symphorienne , dochter van Reinier I 
van Henegouen en van hem is slechts één zoon bekend 
die Robert heette en zijn vader opvolgde. 

't Waarschijnlijkste zal wel zijn , dat bisschop Balderik 
behoorde tot het geslacht der graven van Hespengou 
waaruit de graven van Loon afkomstig waren , zonder 
daarbij aan te nemen, dat die graven stamden uit 
het huis van Henegouen. 

Rudolf van Hespengou, dien wij houden voor een 
achterneef van bisschop Balderik, had tot zoons Arnold 
en LoDEwijK, beiden waren in 1016 overleden. Arnold 
kan men houden voor denzelfden Arnold die in 950 
graaf was in Gennepergou. Deze is de eerste graaf 
van Loon geweest. Zijn broeder Lodewijk had drie 



Digitized 



by Google 



42 

zoons GijsBERT en Arnold graven van Loon en Balderik 
Bisschop van Luik. 

Die Balderik schonk, tusschen de jaren 1007 en 
1018 , zijn oppidum Pannerden , zijn allodium , alzoo 
zijn vrij eigen goed , aan de kerk te Luik. 

Neveling broeder van bisschop Balderik van Utrecht 
hebben wij niet kunnen ontdekken ten zij hij schuilt 
achter een Albuinus diein 908 graaf wasin deMaasgou, 
waar, in dit geval, zijn kleinzoon Rudolf nog in 966 
voorkomt. 

Het huis van Hespengou heeft eens uitgebreide bezit- 
tingen gehad. Het heerschte van de Maghaigne tot Cuyk 
en de overeenkomst van namen gedragen door leden 
van dat machtige geslacht , gelijktijdig op den linker 
Maasoever en op den rechter, in Luikergou en Gen- 
nepergou is te groot , dan dat men niet gerechtigd zou 
zijn, bloedverwantschap zeker te achten. 




Digitized 



by Google 



GRAAF BALDERIK. 
VIII. 

Gelijk wij zagen wordt de Utrechtsche bisschop 
Balderik genoemd graaf van Kleef. — Dit moge on- 
juist zijn , — in verband met het voorgaande zal wel 
juist zijn, dat hij betrekking had op den omtrek 
dier stad. 

In de buurt van deze treft men op het einde der 
I o* eeuw aan een praefectus Godfried , die een broeder 
had van wiens zoon gezegd wordt dat hij een man 
was uit gering geslacht ^). Intusschen was zijn oom 
Godfried gehuwd met eene dochter van hertog God- 
fried *) ; en daar Balderik zelf gehuwd is geweest met 
Adela de dochter van den machtigen en rijken graaf 
WiCHMAN , die een anderen graaf Wichman , minachtend 
een Saks noemde, zal de schrijver die op Balderiks 
afkomst smaalde, meer aan zijn haat en afkeer, dan 
aan de waarheid voldaan hebben. 

Baron van Spaen meende dat Godfried praefectus was 
in de omstreken van Tiel. Tiel wordt echter in dien 
tijd gezegd gelegen te zijn in het graafschap van Un- 
ROCH of Hunrogh , d. i. Hendrik , neef van bisschop 
Ansfried van Utrecht. 

In het jaar 1009 was Godfried oud en ziekelijk en 
is kort daarna overleden. Zijn zoon Godfried hoewel 



Digitized 



by Google 



44 

zwak van lichaam en geest , volgde hem op , maar 
moest in alles worden bijgestaan door Wichman een 
heer te Vreeden in Westfalen , die met zijne zuster ge- 
huwd was. 

Reeds in het jaar 1006 ^), toen de Noormannen een 
strooptocht deden naar Tiel , was Godfried (de vader) 
niet meer in staat te velde te trekken. Balderik en 
graaf Unroch verdreven toen de vrijbuiters. Van Spaen 
plaatst deze gebeurtenis op het jaar 1009 en noemt 
Unroch en Wichman bevelhebbers. Men heeft hier of 
eene vergissing of twee invallen. De laatste zal hebben 
plaats gehad na den dood van den ouden Godfried. 

Toen ontstond er twist tusschen Balderik en Wichman 
over de praefectuur of over de voogdij over den jongen 
Godfried, die zijn vader niet lang schijnt overleefd 
te hebben. Balderik bezat aanzienlijke erfgoederen be- 
westen den Rijn en ook Wichman had daar door zijne 
vrouw bezittingen verkregen. Hij bouwde op een van 
deze, niet ver van de Maas een slot (Venlo?). 

De jonge Godfried bezat ook een slot , nl. te Gennep. 
Zoodat hij graaf of praefectus zal geweest zijn over de 
Gennepergou. Balderik verwoeste het door Wichman 
gestichte slot, waarop deze het slot Munna (Monter- 
berg bij Calkar) bevestigde. Daarop schijnt vrede tus- 
schen beiden gesloten te zijn. 

Maar terwijl Wichman eene bedevaart deed naar Rome, 
wist Balderik de praefectuur van den Keizer te ver- 
krijgen en maakte hij zich meester van het slot te 
Gennep. Gennep, niet Kleef, schijnt alzoo de hoofd- 
plaats geweest te zijn der praefectuur. 

Nadat de veete, die hier door tusschen Balderik en 



Digitized 



by Google 



45 

WicHMAN weder ontbrandde , verzoend was , brak echter 
deze weder opnieuw uit. Balderik bracht zijne zuster, 
die weduwe was en twee zoons had , op den linker 
Rijnoever een bezoek, en toen hij naar zijn verblijf te 
Uplade (bij Elten) wilde terugkeeren, werd hij door 
de bezetting van Munna overvallen en moest zich door 
de vlucht redden. 

Waar de zuster van Balderik met hare twee zoons 
woonde is onzeker. Van Spaen denkt aan Kleef. 

Balderik leefde niet alleen met WICHMA^f in veete. 
Ook met Godizo heer van Aspel en Hengsibach , een 
bloedverwant zijner vrouw Adela. Die Godizo was een 
vriend van den heer van Vreeden en had de paarden 
geroofd van Adelbold, bisschop van Utrecht, een 
vriend van Balderik, die dezen een bezoek gebracht 
had en naar huis terugkeerde. Aspel werd daarop ver- 
geefsch door den bisschop belegerd *). 

Kort daarna overleed Godizo en vertrouwde zijne 
weduwe, dochters en bezittingen aan zijn neef Gerard, 
die in dienst was van Balderik, zoodat hij overleden 
schijnt te zijn in een tijdvak van vrede met dezen. 
Maar Balderik dwong Gerard hem het slot Aspel over 
te geven , waarop Gerard zich naar Hengsibach begaf 
en met de weduwe van Godizo huwde. Dit mishaagde 
zeer aan Balderik die Gerard te Hengsibach bele- 
gerde. 

Gerard zei daarop den dienst aan Balderik op en 
begaf zich in dien van Wichman. Hij werd , naar het 
schijnt, kastelein te Munna, want toen Balderik, die 
in I0I2 niet mede naar Leuven ten oorlog trok, zich 
naar Keulen wilde begeven , werd hij door Gerard 



Digitized 



by Google 



46 

gevangen genomen en naar Munna gebracht. Gerard 
wilde hem niet ontslaan , voor hij het slot Aspel had 
teruggegeven en 2000 pond zilver betaald. Deze som 
werd echter op voorspraak van Wichman tot 400 pond 
verminderd. 

Daarna werd vrede gesloten tusschen Balderik en 
Wichman. Wichman bracht zelfs zijne oude vijanden 
Balderik en Adela een bezoek, maar werd toen door 
hen vergiftigd, 't Vergif bleek niet krachtig genoeg. 
Wichman keerde naar huis terug. Het snoode echtpaar 
liet hem toen onder weg, 8 October 10 16, door krijgs- 
lieden overvallen en vermoorden. 

Dit bracht de vrienden van Wichman in beweging. 
Bernhard , hertog van Saksen en Adelbold , bisschop 
van Utrecht , belegerden het sterke kasteel van Uplade , 
't welk door Adela dapper verdedigd werd , terwijl 
Balderik afwezig was. Adela bedong vrijen aftocht 
met alle hare bezittingen, maar Uplade (Uplun) werd 
vernield. 

Balderik had hulp gezocht bij Herbert aartsbis- 
schop van Keulen en Gerard van den Moesel en Heng- 
sibach. Adela stierf in i 01 7 te Keulen. Balderik maakte 
zich meester van Munna en hoopte zich te herstellen. 
Maar de Keizer liet Munna verwoesten en Balderik 
werd voor het rijksgerecht te Nijmegen gedaagd. De 
hertogen Godfried en Bernhard stonden niet toe , dat 
hij zich verdedigde. Zij zouden hem vermoord hebben, 
wanneer de Keizer de orde niet had hersteld en hem 
bevolen zijne tegenwoordigheid te verlaten. De aarts- 
bisschop van Keulen beschermde hem ook nu weder 
en door dezen werd hij te Keulen opgenomen. 



Digitized 



by Google 



47 

Balderik stierf drie jarea later (5 Juni 102 1) teHeng- 
sibach en werd te Syflik , bij Kranenburg , in het door 
hem gestichtte klooster begraven *j. 

Balderik wordt graaf genoemd te Uplade of op den 
Houberg. Men houdt beide namen voor die van de- 
zelfde plaats, mogelijk echter lag Uplade bij Eltenen 
Houberg bij Kleef. Hij stichtte een kasteel te Wehl, 
niet ver van Kranenburg in de Dufifel , dat hij moest 
afbreken. Met den afbraak stichte hij het klooster te 
byflik. 

Zonder twijfel is Balderik graaf geweest over een 
gedeelte van Hameland •) waarschijnlijk ook in Drenthe. 
Hij bezat de praefectuur die zijn oom Godfried op den 
linker Rijnoever bezeten had. Hij was meester van het 
kasteel te Gennep. Mogelijk is hij woudgraaf geweest. 
Balderik die Gerard te Hengsibach belegerde, had 
ook bezittingen in die buurt (Zie aant. 6 op dit 
Hoofdstuk). 

Balderik is gehuwd geweest met Adela dochter van 
den Hamelandschen graaf Wichman. Die Wichman 
trouwde omstreeks het jaar 953 met Luitgarda dochter 
van BouDEwijN de jonge van Vlaanderen. Adela is dus 
na dat jaar geboren. Zij is eerst gehuwd geweest 
aan zekeren graaf Imad , die ouder was dan zij en naar 
men meent in 983 reeds overleden was. Haar vader 
stierf omstreeks het jaar 990 en kort daarna hertrouwde 
zij met Balderik. 

In het leven van haar zoon , bisschop Meinwerk van 
Paderborn , wordt gezegd , dat zij toen eene vrouw 
was van 60 jaar, zoodat zij, ware dit juist in of om- 
streeks 930 zou geboren zijn. Daar Adela echter op 



Digitized 



by Google 



48 

het einde van 1016, of in het begin van 1017, nog 
krachtig optreedt bij de verdediging van haar kasteel, 
is het niet te gelooven , dat zij toen eene vrouw 
van ongeveer zes en tachtig jaar oud was. Toen zij 
WicHMAN van Vreeden liet vermoorden, dacht zij on- 
getwijfeld nog ettelijke jaren levens voor zich te hebben 
en men zal dus wel mogen aannemen , dat de op- 
gaaf in het leven van bisschop Meinwerk onjuist is, 
dat Adela omstreeks het jaar 954 geboren zijnde toen 
ruim zestig jaar oud was, en zes en dertig toen zij 
in 990 een tweede huwelijk aanging. 

Haar zoon Meinwerk werd in 1009 bisschop van 
Paderborn. Hij moet toen 30 jaar oud geweest zijn 
alzoo geboren in of voor het jaar 979, datis 25 jaren 
na 954. Wanneer men aanneemt dat Meinwerk in 983 
toen hij naar Hildesheim ter schoole gezonden werd 
12 jaar oud was en hij dus in 971 is geboren, dan 
nog bestaat er geen door cijfers gevestigden grond aan 
te nemen , dat Adela's vader niet gehuwd zou geweest 
zijn met Luidgarda van Vlaanderen. 

DiTMAR ') geeft in zijne fabelachtige lijst der graven 
van Kleef aan Balderik en Adela (volgens hem stierf 
Balderik in ioti) een zoon Conradus, die zijn vader 
als graaf van Kleef opvolgde , en in 105 1 zou gestorven 
zijn en bij Agnes, gravin van Schaumburg won 
Theodericus 'IV, ViRTuosus , gehuwd met Maria gravin 
van Henneberg, in 1096 kinderloos overleden, en 
Arnold II gehuwd eerst met Margaretha en daarna 
met Ida uit niet genoemde huizen , uit wien de verdere 
graven van Kleef zouden gesproten zijn. 

Tegen al deze opgaven is zooveel aan te voeren, 



Digitized 



by Google 



49 

dat men ook Koenraad, zoon van Balderik en Adela 
wel in het rijk der fabelen kan doen plaats nemen. 

Intusschen vond men in een oud kerkboek te Meer 
eene aanteekening, waarin graaf Diederik en zijne broe- 
ders Alardus en Gerardus vermeld worden te zijn uit 
de «^prosapiar* van den stichter van Siflik nl. van Balderik. 
Afstammelingen van hem waren zij zeker niet , zoodat 
het woord prosapia hier, gelijk ook elders, bloedver- 
w^antschap zal moeten beteekenen. 

Daar Balderik eene zuster had , die twee zoons bezat 
bij een niet genoemden echtgenoot, heeft hij onge- 
twijfeld bloedverwanten nagelaten s). 

De graafschappen die Balderik bij zijne afzetting 
nog bezat ten oosten van den Rijn zijn bekend. Zijn 
gebied strekte zich daar uit over de Lymers (met Bergh 
er onder begrepen) een deel der IJsselgou en derVe- 
luwe. Hij werd daar opgevolgd door Wernher, zoon 
van Gebehard, kleinzoon van Otto van Lahngou, heer 
en graaf van Zutphen. 

Die graafschappen waren door Balderiks huwelijk 
met Adela in zijn bezit gekomen. 

Voor hij met haar trouwde was hij blijkbaar een 
betrekkelijk arm heer. Zijn oom Godfried i^yas toen 
praefectus en hij zelf mogelijk een vasal of dienstman 
van Adelas vader, 't Kan zijn dat hij kastelein was op 
het slot te Redichem. Zelfs zou men mogen onder- 
stellen , dat hij miles geweest is van Adela , die, als 
weduwe van Imad en zonder zoon die zelf de 
wapenen kon voeren, iemand noodig had om voor 
haar den dienstplicht te vervullen als aanvoerder harer 
vasallen en hoorigen , even als zij in rechtzaken een 

DigitizedbyQoOgle 



50 

advokaat moest hebben. Balderik kan beide betrekkingen 
bij haar hebben vervuld , hoewei de tweede zeker 
niet vóór den dood van Adelas vader en dan als 
haar echtgenoot. 

Naar Balderiks voorouders kan slechts gegist worden, 
het volgende zal evenwel niet onwaarschijnlijk zijn. 

In de Gennepergou , men herinnere zich dit , was 
in 950 een Arnulf of Arnold graaf. Wij hebben dezen 
gesteld later graaf van Loon. Hij stierf omstreeks het 
jaar 1016. 

Arnold l graaf van Loon had geen zoon en werd 
opgevolgd door Gijsbert zijn neef, zoon van Lodewijk, en 
broeder van graaf Arnold II van Loon en bisschop 
Balderik van Luik. De grootvader dier heeren was 
RuDOLF ^raaf van Maasgou en Hespengou, achterneef 
van bisschop Balderik van Utrecht. Deze Rudolf had 
een broeder Balderik , die vermoedelijk voor hem 
overleden is , maar dien ik stel vader van praefectus 
Godfried en van den vader van Balderik, Adeles 
echtgenoote , die vermoedelijk ook Balderik heette 
evenals zijn vader en zoon. 




Digitized 



by Google 



WICHMAN HEER VAN VREEDEN. 
IX. 

WicHMAN was volgens den Saksischen Analist een 
heer of graaf te Vreeden in Westfalen. Fahne heeft 
in zijn Bocholtz I. B. i Abt. Seite 276 , ondersteld , 
dat hij niet te Vreeden maar te Verden te huis be- 
hoorde, op grond dat in het Necrologium van St. 
Michaël te Luneburg zijn dood vermeld is, en hij 
zich dit niet kon verklaren, dan door aan te nemen, 
dat er twee Wichmans geweest zijn een te Vreeden 
en een ander te Verden. Men zou volgens hem bij den 
Annalist Verdini moeten lezen in plaats van Frethini. 

Behalve dat het geen wonder zou zijn op twee 
plaatsen terzelfder tijd twee Wichmans aan te treffen , 
bestaan , dunkt ons , geen redenen tot verandering , 
daar door een of andere gift Wichman uit Vreeden 
zich de eer kan verworven hebben , te Luneburg in 
de St. Michaëls-kerk herdacht te worden. Hij was 
gehuwd met de dochter van den praefectus Godfried 
en bezat goederen op beide oevers van den Rijn. In 
989 was hij aangesteld tot voogd van Borchorst. Deze 
voogdij kwam later aan de graven van Ravensberg, 
en in 993 verkreeg hij van Keizer Otto de voogdij 
van het Stift Metelen in Westfalen. 

Naar de lotgevallen van zijn zoon is te vergeefsch 
onderzoek gedaan *j- ^^ een giftbrief ten voordeele 

Digitized by LjOOQIC 



52 

van de kerk van Rees , welke moet geplaatst w^orden 
tusschen 1079 en 1089 komt voor als getuige een 
Raginer zoon van Wichman. De naam Raginer of 
Reinier komt in Westfalen in dien tijd te zeldzaam 
voor in oorkonden, en was zoozeer in zwang in het 
huis waaruit de vrouw van den vermoorden Wichman 
afkomstig was , dan dat men dit achteloos zou voorbij- 
gaan. Was Raginer een zoon van Wichman van Vreeden, 
dan moet hij toen ver in de zeventig jaar oud geweest 
zijn. Onmogelijk is dat niet. 

In 1085 lag Vreeden in de graafschap van Gerard. 
Is Raginer graaf van Vreeden geweest , dan moet hij 
toen dood geweest zijn en de oorkonde vóór dat jaar 
zijn opgemaakt. Algemeen houdt men Gerard graaf, 
ook over Vreeden , voor een der Geldersche graven. 
Onmogelijk is dat niet. Een gedeelte van de nalaten- 
schap van Wichman schijnt aan de graven van Gelre 
gekomen te zijn, want Jolande dochter van graaf 
Gerard I van Gelre verkreeg aanzienlijke goederen in 
die buurt *) ten huwelijk in T107, zoodat Gerard I 
mogelijk gehuwd was met eene dochter of kleindochter 
van Raginer. Daar Jolande Dalen in Westfalen ver- 
kreeg was haar moeder mogelijk Bertrada dochter 
van TuRiNGus heer van Dalen , en Turingus zelf getrouwd 
met eene dochter van Raginer, terwijl een deel van 
diens nalatenschap door eene andere dochter aan 
Ravensberg gekomen is. 




Digitized 



by Google 



GODIZO VAN ASPEL. 



GoDizo , heer van Aspel en Hengsibach was een bloed- 
verwant van WicHMAN, graaf in Hameland. Aspel 
was, naar het schijnt, zijne gewone verblijfplaats. 
Hengsibach of Heimbach ligt aan de Roer tusschen 
Gemund en Nideck. Godizo was een zoon van Richizo 
en moet omstreeks het jaar loio of loii overleden 
zijn, want zijne weduwe hertrouwde in 1012 met zijn 
bloedverwant Gerard. 

GoDizo was een broeders zoon of neef van Wichman 
en, daar zijn vader Richizo heette, niet onwaarschijnlijk 
verwant aan het Paltsgrafelijk geslacht. Paltsgraaf Ezo 
toch had eene dochter die den zelfden voorkomenden 
naam Richiza droeg. 

Behalve Aspel en Hengsibach bezat Godizo ook Stralen. 
De helft van Stralen was later eigendom van Bruno 
van Hengsibach, die deze helft afstond aan Anno aarts- 
bisschop van Keulen vóór het jaar 1064, De andere 
helft behoorde aan Mevrouw Irmentrudis, die ook 
hare helft afstond aan genoemden praelaat. Stralen 
werd toen eene bezitting der abdij van Siegburg. 

Zeer waarschijnlijk is het, dat een der dochters 
van GoDizo Hengsibach verkreeg , waar men later een 



Digitized 



by Google 



54 

graaf RicHizo met zijn zoon Godfried aantreft. Zonderling 
zou het ten minste zijn, dat, wanneer Hengsibach 
door de weduwe van Godizo aan haren tweeden man 
Gerard is gekomen , in de namen der heeren van Hengsi- 
bach haar eersten man zou zijn herdacht. 

Irmentrudis was gehuwd aan zekeren graaf Rupertus. 
In eene oorkonde van 25 Mei 1 122, vindt men, dat 
zij en haar man zich hadden meester gemaakt van 
eene bezitting van de abdij van Werden. Dat goed 
lag in Eitera, tusschen Rijn, Lek en IJssel en was 
aan de abdij geschonken door Keizer Hendrik III , 
alzoo tusschen 1039 ®^ ^^59- ^^^ ^^^f was in 11 22 
al lang geleden en beide roovers waren dood. 

Van Spaen dacht, dat het door Rupertus en Irmen- 
trudis geroofde goed gelegen was in de Hetter. Daarin 
vergiste hij zich , even als in de personen der roovers. 
Het goed zelve heet Zevenaar of Monikhof en is als 
Monikhof nog heden bij Vianen bekend *). Vianen 
heette vroeger Heelweg. Een bezwaar is , dat de Lek 
nu noordelijk van Vianen loopt, maar er zijn nog 
heden sporen van een vroegeren loop der Lek bezuiden 
die plaats. Een ander Eitera lag bij IJsselstein, wier 
oudste kerk aldaar zal gestaan hebben. 

In 1056 schonk Keizer Koenraad II aan den abt van 
Werden een «praedium in pago Eiteri in comitatu 
Erimanni», dat zekere «Clericus Walgerus» hem had 
opgedragen. De pagus Eitera is derhalve niet eene gou 
of graafschap maar eene mark, een polder of parochie, 
gelegen in een graafschap. 

Godizo schijnt een graafschap, behoorende aan de 
Utrechtsche kerk, bezeten te hebben. 



Digitized 



by Google 



«55 

Over Teisterbant kan men het voortreffelijk critische 
werk van Bn van Spaen raadplegen. Hier vindt men 
in het algemeen volstrekt geen afkeuring van iets wat 
door dien doorgeleerden man geschreven is. Zijn voor- 
beeld zal altijd voor het grootste deel onverbeterd 
blijven. Nu en dan kan men echter door latere na- 
sporingen en ontdekkingen aanvullen. Na Walcher 
en Hatto schijnt Teisterbant en andere graafschappen 
door dezen bezeten, aan Ansfried gekomen te zijn, 
die in 994 bisschop van Utrecht geworden is. 
Mogelijk was zijne moeder eene dochter van Hatto 
of Otto. In de graafschappen werd hij opgevolgd door 
zijn neef Unroch, Wirich of Hendrik, graaf in Teister- 
bant en Bodegraven, mogelijk ook in Upgoie. In Bode- 
graven volgde op dezen , volgens Beka , Godizo, die 
volgens denzelfden tegelijk met Unroch in 1018 tegen 
Dirk lil, graaf van Holland, sneuvelde. 

Unroch was tegenwoordig bij de begrafenis van 
bisschop Balderik en Godizo van Aspel moet omstreeks 
het jaar loio of loii gestorven zijn. Mogelijk zijn 
beiden wel tegelijkertijd gesneuveld, maar dan tegen 
de Noormannen '). 

In Bodegraven, vindt men, werd Godizo opgevolgd 
door Dirk Bavo, die in 1017 en 1018 door Dirk III 
van Holland van daar verdreven is. Hij was op- 
volger van Godizo en derhalve moet deze reeds vroeger 
gestorven of gedood zijn. In de verhalen der ge- 
schiedenis van Balderik en Adela worden het jaar noch 
de omstandigheden van Godizo s dood vermeld, alleen 
leest men, dat hij nog geleefd heeft ten tijde van 
bisschop Adelbolp van Utrecht, 



Digitized 



by Google 



56 

Toen GoDizo stierf liet hij slechts dochters na, die 
nog te jong waren om gehuwd te zijn, een van deze, 
wij hebben haar reeds genoemd, Irmentrudis, zal later 
getrouwd zijn met een zoon van Herman die men in 
1036 vermeld vind als graaf van de streek waarin 
Eitera lag , dat zal zijn het graafschap van Upgoie , 
Rodengoie , ook het Utrechtsche graafschap geheten. 

Men had Utrechtsche graven en burggraven. Beiden 
waren personen van verschillend ambt en aanzien. 
Het burggraafschap van Utrecht strekte zich mt in 
Utrecht omstreeks de tegenwoordige Vischmarkt. 

Als Utrechtsche graven worden op eene lijst de 
Utrechtsche graven en burggraven bij Heda blz. 164 ver- 
meld Robertus in 1050, GERARDUsin 1120, Theodericus 
in II 29, Wilhelmus zonder jaar en eindelijk Henricus 
de Cuyk in 1170. Daar Theodericus zich noemt 
graaf van Goie zal er wel geen twijfel bestaan of dat 
Goie was het Utrechtsche graafschap en was boven- 
gemelde Robertus dezelfde persoon als Rupertus die 
gehuwd was met Irmentrudis , dochter van Godizo. 

Wij hebben vroeger niet gelet op het onderscheid 
tusschen Utrechtsche graven en burggraven, maar op 
het voetspoor van anderen beiden verward. Uit de 
lijst blijkt echter, dat zij wel degelijk onderscheiden 
waren. 

In het Chronicum de Trajecto ejusque ^Prïncipatu, 
uitgegeven door Mathaeus en te vinden in het negende 
deel zijner cAnalecta , vindt men een lijst die zou zijn 
opgemaakt tijdens bisschop Boudewijn van Holland 
(i 170 — 1 196). Daarop komt voordat de graaf van Zutphen 
van den bisschop in leen had Zutphen en Gooiland, 



Digitized 



by Google 



57 

en graaf Roethem in Veluwe de Veluwe, en dat de 
Veluwe van dien op den hertog van Brabant en ver- 
volgens ais onderleen aan Gelre gekomen is. Veel is 
zeker op dergelijke aanteekeningen niet te vertrouwen. 
Hier zij deze vermeld, omdat wij weldra een geslacht 
Rode of Rothem zullen ontmoeten. Op de Veluwe is 
geen slot of plaats Rode of Rothem te vinden. Zeker 
heeft men hier dus met een slordige aanteekening 
te doen, of zij geheel onjuist is staat te bezien. Blijk- 
baar is de thans aanwezige lijst een gebrekkige, waarin 
niet altijd rekenschap is gehouden met plaats gehad 
hebbende veranderingen. 

Den 23 Augustus 1046 gaf Keizer Hendrik III aan 
den bisschop van Utrecht Deventer en het land Zut- 
phen. De bisschop stelde over Zutphen Rupertus aan 
tot graaf. 

In dat graafschap lag intusschen de heerlijkheid 
Zutphen , het eigendom van Godescalk en Adelheid 
wier voorzaten ook het grafelijk gebied in dat deel 
der IJsselgou bezeten hadden. Ten gevolge dezer schei- 
ding ontstonden tusschen den bisschop en de heeren 
van Zutphen twisten, die in 1059 door bisschop Willem 
werden bijgelegd. 

De verzoeningsacte is mede onderteekend doorgraaf 
Rupertus. In 1082 werd diens zoon Herman abt van 
St. Pantaïeon en daar hij uitdrukkelijk graaf van 
Zutphen genoemd wordt, schijnt hij zijn vader te 
hebben opgevolgd. Rupertus teekende aan de zijde 
van Godescalk, en Herman terstond na den advokaat 
des bisschops Theodericus , aan den kant van dezen. 
Het blijkt nergens, dat Godescalk graaf van Zutphen was, 



Digitized 



by Google 



5B 

zijn zoon Otto was dat waarschijnlijk in 1064, zoo- 
dat Herman toen reeds geestelijke zal geweest zijn. 

Behalve Herman hadden Rupertus en Irmentrudis 
nog twee kinderen nagelaten. 

Irmengardis, hunne dochter, heeft een brief gegeven 
omtrent het jaar 1082, waarin zij hare broeders Herman 
en Rupertus vermeldt en een neef Rupertus , zoon 
van haar broeder Rupertus. Tusschen 1079 en 1089 
had Irmengardis bezittingen te Rees, Emmerik, Stralen, 
Wees en Oberwinter. 

Beiden , Irmentrudis en Irmengardis worden in een 
brief van Paus Adriaan IV van 30 Augustus 11 59 
onderscheiden en Irmentrudis gravin genoemd. Gravin 
Irmengardis, was wel eene andere persoon dan Irmen- 
gardis, nicht van Keizer Hendrik III , die van hem 
15 Februari 1041 verkreeg Herve, Vaals, Epen en 
Valkenburg in Luikergou. Wat den leeftijd betreft 
zouden beiden zusters kunnen geweest zijn, maar 
GoDizo noch zijne vrouw stonden in zulke nauwe 
bloedverwantschap tot Keizer Hendrik III, dat hunne 
dochters door dezen nicht kon genoemd worden, zij 
was geen broeders noch zusters noch tantes dochter *). 

In een brief van 29 Juli 1075 worden goederen te 
Valkenburg, Munznic , Gummenich, Epene en Wilere , 
gelegen in Akenergou, die afkomstig waren van Irmen- 
trudis door aartsbisschop Anno II van Keulen toege- 
wezen aan de coUegiaalkerk Maria ad Gradus te 
Keulen. 

Heeft men hier te doen met eenige der goederen door 
Koning Hendrik aan zijne nicht geschonken? Wij 
zullen op Valkenburg en de goederen in de buurt 



Digitized 



by Google 



59 

dier plaats later terugkomen. Thans eischt de regel- 
maat de behandeling van de onderstelling door van 
Spaen gemaakt, dat familieverwantschap schijnt te be- 
staan tusschen de heeren van Zutphen en graaf Rupertus. 

De vader van den eersten Rupertus heette Herman, 
Een zoon van paltsgraaf Ezo droeg dien naam. Deze 
Herman is bisschop van Keulen geweest en stichtte 
aldaar de abdij van St. Pantaleon waarover in 1082 
Herman, zoon van Rupertus, abt werd. Bisschop Herman 
is zeker niet geweest Utrechtsch graaf noch vader van 
Rupertus. Mogelijk was Rupertus' vader echter Herman II 
graaf in Roergou en paltsgraaf na zijn broeder Hendrik. 
Beiden en nog een derde zoon Koenraad, die hertog 
van Carinthië geweest is , waren zoons van Hezelin , 
graaf in Zulpichgou , die gehuwd geweest is met eene 
bloedverwant van Koning Hendrik III. Op deze wijze 
kan Irmengardis door den Keizer nicht genoemd zijn, 
als zuster van Irmentrudis echtgenoot van Hermans 
zoon , Hetzels kleinzoon , Rupertus. Van Herman , 
Hetzels zoon, zijn echter geen zonen bekend dan 
Herman graaf van Stahleck en zekeren Hendrik. Evenwel 
is het niet onmogelijk dat hij nog een zoon gehad heeft. 

De betrekking van Rupertus op Zutphen is duidelijk 
wanneer Rupertus was een kleinzoon van paltsgraaf 
Hetzel , daar Adelheid echtgenoot van Godescalk , 
vrouw van Zutphen, geweest is eene dochter van 
Ludolf zoon van Ezo en Machteld, dochter van 
Otto, heer en graaf van Zutphen *). 

Van Spaen schijnt er aan gedacht te hebben , dat 
Irmentrudis, dochter van Godizo, gehuwd is geweest 
met Koeraad , den beweerden zoon van Balderik. Men 



Digitized 



by Google 



6o 

kan dat vermoeden uit de geslachtstafel in het Eerste 
Deel zijner voortreffelijke Inleiding, Intusschen valt 
het zeer te betwijfelen of Balderik wel een zoon heeft 
nagelaten. 

Toch wordt in dezen tijd melding gemaakt van een 
KoENRAAD graaf van Leksmond , die gehuwd geweest 
is met Adelheid dochter van Rudolf van Achalm en 
Adelheid van Wulfelingen. Zoons van dien Koenraad 
worden gesteld : bisschop Burghard van Utrecht , 
Berthold, Cuno, Otto en Wernher graaf van Groeningen 
stichter van het klooster Breitenau in Hessen. 

Heda zegt, dat hij niets betreffende Burchards afkomst 
gevonden heeft *). Uit geen der brieven van dien 
praelaat afkomstig blijkt, dat hij bezittingen had in 
of bij Leksmonde. 

Legisgemunde wordt de plaats genoemd, en daardoor 
is het twijfelachtig of men aan Leksmonde in Zuid- 
Holland of aan Lakemond in de Betuwe te denken 
heeft. 

In II 08 besliste Burghard, bisschop van Utrecht 
een geschil 't welk tusschen de congregaties van St. 
Maarten en St. Bonifacius te Utrecht bestond met 
Arnold van Rothe en Hendrik van Cuik en hunne 
mede-erfgenamen over een landgoed tusschen Lek en 
Linge. Beide genoemde heeren waren toen overleden, 
en Hendriks weduwe Alveradis trad tegen de con- 
gregaties op. 

Aleid dochter van Hendrik I van Cuik en deze 
Alveradis, was gehuwd met Arnold de Rothe, maar 
de in het proces genoemde was haar schoonzoon niet. 
Een Arnold de Rothe komt met zijn broeder Gijsbert 



Digitized 



by Google 



6i 

in 1 1 2 1 voor als getuige van Gondebold , in een brief 
over de kerk te \\'^arnsfeld, en met een anderen broeder 
RuTGER in 1 122 als getuige van Keizer Hendrik. Getuige 
van dien Keizer en denzelfden Bisschop in 1113. Men 
weet van hem, dat hij gewelddadig is om het leven 
gebracht en dat hij zoowel als zijne vrouw in 11 33 
overleden waren , want zijne dochter Hedwig stond 
toen onder voogdij van hare ooms Herman van Cuik 
en Godfried van Cuik, graaf van Arensberg. De be- 
trekking die de jonge Arnold had op het kwartier 
van Zutphen schijnt te duiden op verwantschap met 
RuPERTUs die graaf van Zutphen geweest is. Hij was 
getuige te Warnsfeld en bezat goederen aan de Linge. 

De Arnold de Rothe voor wiens erfgenamen Alveradis 
optrad, schijnt dezelfde afkomst gehad te hebben als 
haar man Hendrik van Cuik. Het is mogelijk dat 
Hendrik van Cuik geweest is een broeder van Herman 
graaf van Stahleck, 

Volgens Divaeus is Herman , vader van Hendrik , 
overleden in 1068. Maar Herman vader van Rupertus 
werd in 1050 reeds door dezen opgevolgd en palts- 
graaf Herman is overleden in 1058, Hendrik I van 
Cuik is overleden in 1096, zoodat hij geboren zijnde 
in 1036 toen 60 jaar oud was. Aannemende dat zijne 
weduwe in 11 08 dien leeftijd had bereikt, was zij 
geboren in 1048 en alzoo twaalf jaar jonger dan haar 
man, 't geen volstrekt niet ongeloofelijk is •). 

Als burggraven van Utrecht worden vermeld Arnold 
in II 26 gehuwd met Machteld van der Burch, die 
burgravin was in 11 31, dan volgt hun zoon Otto in 
1145 en II 55, weiarna DiEDERiK en zijn broeder Gerolf, 



Digitized 



by Google 



62 

Voor Arnold vindt men als burggraven Franco en 
zijn broeder Wulfhard. 

Een Arnold de Rotha is getuige in 1123 en 1125 
en men zou dezen voor burggraaf van Utrecht en 
vader van Heil weg kunnen houden, ware het niet, 
dat de moeder van deze Aleid genoemd wordt , en 
burggraaf Arnold bij zijne vrouw Mechteld een zoon, 
Otto geheten , heeft nagelaten. De heeren van Rothem 
of Rossem zijn derhalve wel niet gesproten uit Rupertus 
zoon van Herman, al schijnt Cuik en dit huis Zutphen 
met de gemelde heeren van Rothem of Rossem van 
een stamvader afgeleid te moeten worden '). 

Godizo had meer dochters dan Irmentrudis en het 
is, gelijk boven is aangemerkt , zeer waarschijnlijk dat 
RiCHizo graaf van Hengsibach, met zijn zoon Godfried 
vermeld in een charter van Keulen in 1074, een zoon 
was van eene andere dochter. 

Herman (niet Anno gelijk van Spaen heeft InL I , 
bl. 155) aartsbisschop van Keulen tusschen 1035 en 
1048, broeder van Koningin Richiza, zoon van palts- 
graaf Ezo, bezat erfgoederen te Elisena, Wissa, Unkela, 
Elicka, Vlammersheim en Hengsibach, hetwelk zijn 
verwantschap met Godizo's vader bevestigt. Men vindt 
dat Margriet gravin van Hostade, met hare zoons 
afstand doet van al haar recht op Hengsibach ten 
behoeve van graaf Willem IV van Gulik in het jaar 
1242. Maar het schijnt, dat zulks nog aan zwarigheden 
onderworpen is geweest, want Koenraad, aartsbisschop 
van Keulen, had, als graaf van Hostade, verschil met 
den graaf van Gulik over verscheidene punten en bij 
uitspraak van het jaar 1254 door de proosten van 



Digitized 



by Google 



6:5 

St. Severinus, der Apostelen en van Soest, werd ver- 
staan , dat de sloten Nideggen en Hengsibach een 
allodiaal en ligia castra van den aartsbisschop waren, 
en dat de graaf den in den ban gedanen Johan van 
Aldendorf en zijne zoons , onrechtvaardig in het bezit 
van het slot Hengsibach gehandhaafd had. 

De eerste graaf van Hostade , Hoogstaden of Hoog- 
stede die wij in oorkonde aantroffen is Gerard i8 
Februari 1080. Het laatst vinden wij hem in 1096. 
Hij wordt gesteld vader van Alveradis, die in 1108 
weduwe was van Hendrik van Cuik. Alverdis klein- 
dochter zijnde van Godizo, kan dit geen beletsel geweest 
zijn van een huwelijk met Hendrik van Cuik daar deze 
Godizo niet in den bloede bestond. Zij zou hem land 
tusschen Lek en Linge aangebracht kunnen hebben , 
ware het niet, dat Alveradis handelt voor de erfgenamen 
en bloedverwanten van haar overleden man en niet voor 
zich zelve. Het waarschijnlijkst is derhalve, dat Cuik en 
RoTHEM beiden verwant waren aan den Utrechtschen 
graaf Herman, en dat een deel der bezittingen van 
dezen , na het uitsterven van zijne familie teruggekomen 
is aan zijn geslacht. Op die wijze zal dan ook Hendrik 
II van Cuik, kleinzoon van Alveradis, graaf van Utrecht 
geworden zijn. 




Digitized 



by Google 



MENGOSUS VAN GELRE. 
XI. 

Zonderling is het, dat men in de verhalen van de 
veten van Balderik en Adela geen gewag gemaakt 
vindt van Mengosus of Mengo, die in dien tijd onge- 
twijfeld heer geweest is van Gelre. 

De naam Mengosus kan beLeekenen « Stedevoogd» en 
dat geeft aanleiding te denken, dat hij nog een anderen 
naam gehad heeft, een doopnaam die misschien Megin- 
HARD was. In den hemel veranderde zijn naam in dien 
van Magingaudius, waarom zou die op aarde ook niet 
bij een of andere gelegenheid veranderd zijn? 

In onze Graven van Hameland is aangetoond, dat 
Mengosus was een zoon van Hugo I graaf van Nordgou 
en achterkleinzoon van Everhard van Nordgou, die 
overgrootvader geweest is van Wichman graaf in Hame- 
land en van Godizo heer van Aspel. 

Mengosus was gehuwd met Gerberga, eene dochter 
van Hertog Godfried I (939—964) van Lotharingen. 

Reeds voor 944 komt hij voor. Hij had zich toen 
aan een of ander misdrijf schuldig gemaakt of wel 
onverdiend was hem een bezitting ontnomen , welke 
hij van Keizer Otto in leen had. In genoemd jaar 
ontving hij het in eigendom terug. In de hierop betrek- 
king hebbende oorkonde wordt hij vasal des Keizers 



Digitized 



by Google 



65 

genoemd. Die brief is te Elten gegeven en berustte in 
het archief te Vilich. Waar het landgoed gelegen was 
wordt niet gezegd. 

Gelijk boven vermeld is was de praefectus Godfried, 
oom van Balderik, ook gehuwd met eene dochter van 
Godfried, zoodat Mengosus een zwager geweest is 
van den praefectus en oom van diens bloodzinnigen zoon. 

GoDizo, heer van Aspel , zoon van Richizo , ver- 
moedelijk kleinzoon van Gerberg, den vader van den 
Hamelandschen graaf Wichman, bezat als vrij eigen 
goed Stralen, hetwelk onmiddelijk aan Gelder grensde, 
Grefratti behoorde, gelijk wij zullen zien, aan Mengosus, 
Suchtelen aan Godizo , zoodat beider bezittingen 
naast en door elkander lagen, hetgeen gelijke afkomst 
bevestigt, en toch heeft Mengo zich niet bemoeid met 
de twisten zijner bloedverwanten en buren. Toen het 
treurigste deel van dit familie-drama werd afge- 
speeld was hij echter reeds dood, want hij overleed 
in het jaar looi. 

Mengo had slechts één zoon, Godfried geheeten , die 
in een slag tegen de Bohemers sneuvelde. Met de 
door dezen nagelaten goederen stichtte hij en zijne 
vrouw een klooster te Vilich in de Avelgou, het graaf- 
schap van paltsgraaf Herman, waarschijnlijk reeds voor 
983. De stichtings-oorkonde schijnt verloren geraakt. 
Immuniteit werd door Keizer Otto III aan dat klooster 
verleend 18 Januari 987. 

Van de in eenige oorkonden opgenoemde goede- 
ren van dat klooster , lagen de meeste in den 
omtrek van Bonn , maar ook werden twee mansi in- 
dominicati , zes andere mansi en twee molens te Glad- 

5 

Digitized by LjOOQIC 



66 

bach vermeld. Te Roden vier mansi dominicatie en 
twaalf andere. Welk Roden bedoeld wordt is on- 
zeker '). 

Mengosus was een man van aanzienlijke afkomst, 
een zeer rijk Heer. Hij wordt door Koning Otto ge- 
noemd : «nobilis vir» en Paus Gregorius geeft hem in 
996 den titel van comes, zoodat hij vrijheer geweest 
is en een graafschap bezat. Nergens vindt men de 
ligging van het graafschap vermeld. De heerlijkheid 
was , als Mengosus er slechts één bezat , Gelder. 

Even als de oorsprong van Kleef ligt die van Gelder 
in het duister. In de Karolingischen tijd was het reeds 
bekend. Op het einde der 9e eeuw bezat de abdij van 
Werden er een halve mansus en daarna verneemt men 
van die plaats niets meer, dan door de vermelding 
van Irenicus, dat Keizer Hendrik in 935 aldaar tot 
eersten Graaf heeft aangesteld Begrinus. Deze zou door 
Mengosus zijn opgevolgd. 

Daar Begrinus dezelfde persoon was als GERBErio 
vader van Graaf Wichman, heeft men reden te vragen 
hoe het kwam. dat Mengosus, en niet Wichman, dezen 
in Gelder heeft opgevolgd. De reden hiervan kan zijn 
dat, hoewel de grafelijke waardigheid toen reeds meestal 
erfelijk was geworden in hetzelfde geslacht, echter opvol- 
ging in de rechte lijn nog niet algemeen was. De oudere 
lijn , wat stamgoederen betrof , ging voor de jongere 
lijn , de oudere persoon in ambten voor de jongere. 

In mijn werk ©e graven in Hameland , heb ik 
de genealogische studie van Grandidier over de Graven 
van Nordgou gevolgd , en daardoor de graven in 
Hameland even als deze gesteld te behooren tot het 



Digitized 



by Google 



67 

Ettichoniseh geslacht van den Salischen stam. Uit het- 
geen ik nu in het vierde Hoofdstuk schreef zal het 
duidelijk zijn, dat ik niet langer daaraan kan vast- 
houden. Ik meen dat de graven in Hameland , en de 
graven van Nordgou in Elsas , laatstgenoemden na 
het begin der ge eeuw, tot de Ottonische lijn be- 
hooren. Alberic zoon van Etticho , kleinzoon van 
den 677 afgezetten Hertog Etticho of Attelric zal de 
laatste graaf van Nordgou geweest zijn uit het Etti- 
choniseh geslacht en opgevolgd door Everhard zoon 
van Bruncharius, kleinzoon van Bercharius den hof- 
meier, even als Otto, door wien de Ottonische lijn 
in Frankenland werd voortgezet, en waarvan de af- 
stammelingen nog voortbestaan, o. a. in het huis van 
Nassau , een zoon was van dien Austrasischen hofmeier 
Bercharius, die in 692 stierf. 

De Suntgou bleef evenwel graven uit de Etticho- 
nische lijn behouden. 

Mogelijk is het, dat tot den Ottonischen stam hier 
te lande nog moet gebracht worden Everhard gehuwd 
met Gisela, wiens testament dkoor Miraeus geplaatst 
is op het jaar 837. Boven, bladz. 35, is dat testament 
vermeld. Behoort deze Everhard in dit geslacht te 
huis, dan zal hij geweest zijn een zoon van Everhard I 
van Nordgou, en is hij wellicht de stamvader geweest 
van aanzienlijke Zuid-Nederland sche geslachten, o. a. 
van de graven van Hespengou en van Loon. 

Mengosus' vader was Hugo I graaf in Nordgou 
(900 — 940) gehuwd met Hildegardis. Deze had vier 
zoons Everhard V, Mengosus, Hugo en Gontram. Daar 
de naam Hugo overeenkomt met dien van Wichard en 



Digitized 



by Google 



68 

WicHMAN, en de oude genealogen de afkomst der 
graven van Gelre stellen uit een Wichard heer van 
Pont, is het zeer wel mogelijk, dat bij dat verhaal 
waarheid tot grond ligt, en Pont bij Gelre het stam- 
goed en oudste alodiale bezitting geweest is van dit 
geslacht tusschen Rijn en Maas. 

Volgens de genealogen — of liever volgens de legende — 
zouden twee broeders Wichard en Luipold, zonen van 
een heer van Pont in de vlakte van Gelder een draak 
gedood hebben, die bij zijn sterven Gelre! Gelre! 
riep. Die kreet zou aanleiding gegeven hebben tot den 
naam van Gelre, welke echter veel ouder is dan de 
tijd van Karel den Kalen , waarin dat gevecht zou 
zijn voorgevallen. In dien tijd leefden echter Hugo en 
LuiTFRiED zoons vau Hugo graaf van Suntgou, broeders 
van Irmentrudis , gemalin van Keizer Lotharius I. Het 
is alzoo mogelijk, dat de namen der eerstvermelde 
heeren van Pont juist zijn. 

In 880 deden de Noormannen een strooptocht op 
den Rijn. Zij verbrandden bij die gelegenheid Biorzona 
(Viersen of Birten), 't welk toen grootendeels door 
Friesen bewoond werd, en maakten zich meester van 
het paleis te Nijmegen dat zij versterkten. Koning 
Lodewijk belegerde hen daar. Toen werd Everhard 
de Sakser door de Noormannen gevangen genomen 
en later door zijne moeder Evesa voor veel geld los- 
gekocht. De Noormannen staken vervolgens het paleis 
in den brand en voeren langs de Waal naar zee. 

Misschien is het dooden van een viking en het 
veroveren van zijn draak, d. i. schip, door Hugo en 
Luipold aanleiding geweest tot de legende» 



Digitized 



by Google 



69 

Op LuiPOLD zou WicHARD gcvolgd zijii en werkelijk 
vindt men in Suntgou dat Luitfried II aldaar is 
opgevolgd door zijn zoon Hugo II in 864. Luitfried III 
had tot zoons Hunfried, Luitfried en Hugo. Zij worden 
vermeld met hun vader in 903. Maar een Gerlach 
en Godfried , die bij de genealogen na elkander voor- 
komen als voorgangers van Mengosus, vindt men niet 
onder de graven van Suntgou in de loe eeuw. 

Waldrade, tante van Everhard den Sakser, was bijzit 
van Keizer Lotharius. Hare moeder was Evesa. De 
Keizer maakte haar zoon Hugo hertog van den Elsas 
(afgezet in 979) en het is alzoo zeer wel mogelijk, 
dat de Keizer een harer broeders in Hattuarië ver- 
rijkte, hetzij dan Everhard of Hugo. Daar men echter 
hier geheel en al zonder bewijzen is, zullen wij dit 
veld overgeven als jachtterrein voor de fantasie. 

Behalve den bovenvermelden zoon, die voor zijne 
ouders overleed, had Mengosus nog vier dochters : 
I. Adelheid eerste abdis van Vilich, 2. Bertrade non 
te Keulen, 3. Irmentrudis gehuwd aan Theodericus 
hertog van Moeselanie , vader van hertog Frederik en 
grootvader van hertog Hendrik en Adalbero, bisschop 
van Metz en 4, Alverade, die door eenigen gesteld 
wordt gehuwd te zijn geweest met een graaf van 
Molbach en Norvenich — door anderen met Ever- 
hard IV graaf van Nordgou of Egesheim, die echter 
haar vaders broeder was. — Wij onderstelden haar 
vroeger gehuwd aan Otto , den in 966 uit zijne be- 
zittingen in Duitschland verdreven zoon van Everhard 
graaf van Lahngou (en in Hameland). Ook op dit 
punt zijn wij sedert van meening veranderd, en meenen 

Digitized by LjOOQlC 



70 

dat zij tot echtgenoot gehad heeft Herbert graaf van 
Wetterau, die 997 stierf. 

Diens zoon Adelbertus was gehuwd- met zekere 
Christina (van Odenkerken) en vader o. a. van Hetzel, 
stamvader der graven van Nyringen , Molbach en vol- 
gens J. M. en C. J . Kremer van Harderath die de 
grondlegger is geweest der huizen van Meerenberg en 
Gl'eiberg *). 

Herberts vrouw wordt in geene oorkonde genoemd, 
maar hij had eene dochter die Gerberg heete, waar- 
schijnlijk naar hare grootmoeder de echtgenoot van 
Mengosus. De heeren van Molbach waren advocaten 
van Vilich , totdat die advocatie in het midden der 
12e eeuw kwam in het huis van Gulik. 

Beide Kremers onderstellen dat Gleiberg en Meeren- 
berg hunnen oorsprong hadden uit Harderath , klein- 
zoon van Herbert ^). Schenkenberg beloofde het bewijs 
te leveren, dat deze denzelfden oorsprong hadden als 
het huis van Nassau , 't geen hij echter nooit volbracht. 

Wat Meerenberg betreft is het door beide kundige 
geschiedvorschers en genealogen gestelde aan geen 
twijfel onderhevig. De afkomst van Gleiberg uit Harde- 
rath schijnt niet zoo zeker. 

In 1206 waren heeren van Metriche Hendrik graaf 
van Nassau en zijn neef Waleram, Anselmus van Mols- 
berg, Salome van Gleiberg en hare dochter Machteld 
die gehuwd was aan Rudolf paltsgraaf van Tubingen. 
Wij zien hier nauwe verwantschap tusschen Nassau , 
Molsberg en Gleiberg, en zouden daaruit besluiten 
dat Schenkenberg gelijk had, 

Giesen, zegt J. M. Kremer, was eene gemeenschappe- 



Digitized 



by Google 



71 

lijke bezitting van Gleiberg en Arnstein , doch brengt 
dit niet verder in rekening ♦). Arnstein en MoJsberg 
schrijft hij evenwel denzelfden oorsprong toe als het 
huis van Nassau. Van Meerenberg en Gleiberg zegt 
hij wel, dat ook die huizen aanzienlijke goederen in 
gemeenschap hadden , maar hij noemt die niet , en 
alzoo is niet na te gaan waarom hij nadere verwant- 
schap tusschen Gleiberg en Meerenberg aannam , dan 
tusschen Gleiberg ^) en Nassau. 

Was zijne bewering juist, dan is het waarschijnlijk 
dat Gleiberg, althans in den beginne , bezittingen had 
afkomstig van Mengosus. Hiervan wordt echter niets 
gevonden. 

Van Molsbach is dat zeker. Gravin Aleidis van Mols- 
bach, hare dochter Alveradis en haar schoonzoon 
graaf Willem van Gulik stichtten in 1177 een collegie 
van Carmelieten te Grefrath, waaraan zij schonken de 
kerk aldaar en hoven in de parochie Dernau en 
Oberwinter. Oberwinter komt voor in de bevestigings- 
brief van Vilich van 1144. 

Grefrath Jag in de Molengou. 

Irmentrudis dé oudste dochter van Mengosus was, 
zooals wij opgaven , gehuwd met Theodericus , hertog 
van Lotharingen en Moeselanië, zoo zegt van Spaen. 

J. M. Kremer noemt Rementrud gehuwd aan den 
vader van hertog Frederik, aan wien zij dezen hertog 
en bisschop Aldabero van Metz, die in 1072 overleed, 
schonk. Beiden halen daarbij aan de Vita Alberonis 
Episcopi <Metens; in Labbei's BibL ÏM. S, T, i, p. 670. 

Intusschen geeft l'Art de verijier les dates: Frede- 
rik I hertog van Lotharingen , gehuwd met Beatrix , 



Digitized 



by Google 



72 

dochter van Hugo de Groote , vader van Diederik , 
die hem opvolgde, Adalbero bisschop eerst van Verdun 
en later van Metz, die in 1003 overleed, Hendrik 
Graaf van Voivre en Ida gehuwd met Radeboton graaf 
van Aldenburg in Aargou. 

Diederik, zoon van Frederik hertog van Bar en 
Lotharingen in 984, gehuwd met Richilde, bij welke 
hij een zoon had Frederik II en eene dochter Adela 
vrouw van van Waleram de oude van Arlon. 

Daarentegen zou Frederik I van Luxemburg gehuwd 
geweest zijn met een kleindochter van Mengosus, van 
welke hij had: Frederik hertog van Ned er-Lotharingen , 
Gijsbert graaf van Luxemburg, Adalbero bisschop van 
Metz van 1047 tot 1072, Hendrik hertog van Beieren 
1043, Ogive gehuwd aan Boudewijn met den baard, 
graaf van Vlaanderen en Judith gehuwd aan Welf, 
stamvader der markgraven van Este en hertogen 
van Beieren. 

Men ziet hier heerscht verwarring. Men is het 
over de verwantschap van Bisschop Adalbero van Metz 
niet eens ®). 

Volgens SiGEBERT van Gemblours volgde te Metz als 
bisschop op Diederik , zoon van den Hamelandschen 
graaf Everhard, Adalbero zoon van hertog Frederik 
en Beatrix zuster van Hugo Capet. Bisschop Diederik 
stierf 983. Zijn opvolger in 1003. — Volkomen in over- 
eenstemming met den schrijver in tAri de verijïer 
les dates. 

Verder is de vraag of Adalbero, de latere bisschop 
van Metz , een achterkleinzoon was van Mengosus 
door zijne moeder, echtgenoot van hertog Frederik, 



Digitized 



by Google 



73 

of door zijne grootmoeder echtgenoot van hertog 
DiEDERiK. Uit den leeftijd zouden wij besluiten tot 
het laatste. 

Wij hebben niets kunnen ontdekken van bezittin- 
gen van dit geslacht, die afkomstig konden zijn van 
Mengosus. 




Digitized 



by Google 



EVERHARD VAN CLEVE. 
XII. 

De eerste graaf van Cleve, die men in eene oor- 
konde aantreft , heet Everhard. Hij en zijne vrouw 
Bertha deden eene schenking tot het stichten van 
eene kerk te Neus. Die brief wordt geplaatst op 27 
September 1074, maar de getuigen die den brief be- 
vestigen maken hem zeer verdacht. 

In dien brief worden o. a. genoemd Ansfried , bis- 
schop van Utrecht. Deze stierfin 10 10. Meginhard , 
bisschop van Paderborn. Deze is aldaar onbekend, 
maar Meinwerk werd daar bisschop in 1009. De overige 
getuigen bloeiden alle zestig jaar later of hebben mogelijk 
nooit bestaan. Het jaar der indictie XII komt overeen 
met die van het jaar 1074, toch is het onderschrift 
onweerlegbaar valsch of vervalscht, 't geen echter niet 
in zich sluit dat de geheele inhoud verzonnen is. 

In dien brief toch wordt genoemd als zoon van 
Everhard en Bertha Berenger, bisschop van Toul , en 
werkelijk heeft in het begin der 11* eeuw een Berthold 
of Berenger , bisschop van Toul , bestaan , die aan 
Diederik van Bar (984—1026) eenige dorpen van zijn 
bisdom afstond. De opvolger van Berenger stierf in 
1026, zoodat hij zelf, wiens sterfjaar ons onbekend 



Digitized 



by Google 



75 

bleef, althans eenigen tijd vroeger moet overleden 
zijn. De oorspronkelijke brief zal alzoo moeten gebracht 
worden op het einde van 1009 of in het begin van 
loio. De brief is, zooals wij hem thans bezitten on- 
getwijfeld eene slechte kopie van- een vidi mus-brief. 
De tekst heeft daarvan ook alle eigenschappen *). 

Uit de oorkonde blijkt, dat Everrard zijne residentie 
hield te Neus, en daar lagen ook de door bisschop 
Anno vermelde goederen. 

Vreemd is het, dat Everhard genoemd wordt graaf 
van Cleve, daar hij te Neus woonde. Voor het eerst 
verschijnt met zekerheid in het jaar 1076 Diederik 
als graaf van Cleve. Kleef was toen een oppidum waar 
in het vorige jaar reeds accijns op de gruit geheven 
werd. Het oppidum zal alzoo wel reeds vroeger be- 
staan hebben, maar in de veten van Balderik wordt 
Kleef nooit genoemd. Dit is zeker, dat de steller of 
overschrijver niets wist van een Balderik graaf van 
Cleve. 

Teschenmacher echter vermeldt , dat Everhard een 
zoon was van Balderik en broeder van Lodewijk , 
graven van Cleve. Hij had een zoon Luitard die 
zijn vader opvolgde en later heilig verklaard werd en 
Berenger. Met Bertha stichtte hij het collegie van 
St. Clemens te Wezel en de kerk te Neus. Volgens 
een opsdhrifl in die kerk in 825, jaar der indictie XI 
(moet zijn III). Hij zou gestorven zijn in 835. 

Thans zal niemand, die met eenigen ernst werk 
maakt van geschiedenis, zich nog met dergelijke ver- 
dichtselen ophouden , dan om er het gevolg uit te 
trekken , dat de vroegere geschiedschrijvers zonder- 



Digitized 



by Google 



76 

ling omsprongen met eenige slecht bekende feiten 
en namen. 

De abt Ernst, die het artikel over de graven van 
Cleve in rcArt de verijier les dates schreef , noemt 
als eerst bekende graaf van Cleve Diederik, dien hij 
voor een zoon van Rutger hield, een der broeders 
van wien d^ graven van Gelre en Cleve afstammen, 
en over welke weldra zal gehandeld worden. 

Diederik I, zegt hij, leefde onder Keizer Hendrik III. 
Keizer Frederik I getuigt dat in een diploma , gegeven 
in II 72. «Cum serenissimus Romanorum imperator, 
Henricus III , praecessor noster, teloneum Neomagense 

Theoderico comiti Clivensi , qui tempo- 

ribus ejus . comes extitit, in feudo concessisset etc.» 
Men vindt dien brief bij Pontanus, Hist. Gelriae^ blz. 
114. Lacomblet noch Bn. Sloet namen dien briefin 
hunne oorkon den boeken op. 

Wanneer echter de tol te Nijmegen aan een Diederik 
graaf van Cleve gegeven is, dan moet dit geschied 
zijn niet door Hendrik III, die van 1039 tot 1056 
regeerde. Een Rutger teekende nog als getuige in 
1054 en niet voor 1059 kan hem Diederik hebben 
opgevolgd. Op Diederik, door Ernst genoemd Diede- 
rik II , laat Ernst volgen Everhard. Zooals is aange- 
toond berustte die invoeging op het verkeerd plaatsen 
van den brief van 1009 of 10 10. 

Onder de graven van Nordgou komt voor Everhard VI, 
die daar van 1000 tot 1027 graaf was. Zijne broeders 
waren Hugo III van 996—1000 zijn voorganger in 
Nordgou, Gerard gehuwd met Cunisa, en Matfried. 
Zijn vader was Everhard V graaf van Nordgou van 



Digitized 



by Google 



•77 

984 — 99^» broeder van Matfried en van Hugo IV graaf 
van Egisheimvan 1035 — 1049, echtgenoot van Heil weg 
VAN Dabo of Dachsburg. 

Daar zijn broeder hem in Nordgou voorging, was 
hij zeker een tweede zoon en, voor hij daar graaf werd, 
waarschijnlijk reeds graaf in Hattuarië. Hij was in 
980 reeds getrouwd, want bisschop Berenger is zeker 
niet na dat jaar geboren. 

EvERHARDs vader regeerde tot 996. Deze was in 984 
graaf geworden, zoodat hij nog bij het leven van zijn 
vader Hugo (graaf in Nordgou van 951 — 984) reeds 
een kleinzoon bezat. Vader en zoon Everhard V en 
EvERHARD VI zullen alzüo reeds lang te voren in het 
bezit geweest zijn van ambten of erfgoederen. Ever- 
hard VI moet geboren zijn omstreeks het jaar 950. 
In 951 werd Hugo II, grootvader van Everhard VI, 
graaf van Nordgou. Op dat jaar, zal men alzoo mogen 
onderstellen, heeft Everhard V zijn vader Hugo in 
Hattuarië opgevolgd. 

Vader van Hugo II was Everhard IV, oudste broeder 
van Mengosus. Beiden volgden hun vader op in of 
kort na 940. 

Dit alles volgens Grandidier's cijfers. Buiten de ge- 
legenheid om zijne opgaven te controleren, door 't onder- 
zoek der gronden op welke hij ze geeft, kunnen wij 
hier niet bepalen, of men hier altijd met vader en 
zoon te doen heeft en niet soms broers elkander in 
Nordgou opvolgden, hoewel de afwisseling der namen 
Everhard en Hugo, om den andere, ongetwijfeld de 
opgaaf van Grandidier schijnt te bevestigen. 

Van Everhard VI zegt die schrijver, dat hij in zijne 



Digitized 



by Google 



7^. 

qualiteit als graaf van Nordgou genoemd wordt in 
het privilegie van Koning Otto III verleend aan de 
abdij van Lauresham in het jaar looo (Lamey, in Cod. 
Lawerh, T>ipL T. I, blz. 148). Hij gebruikt dien titel 
in twee diplomas van Keizer Hendrik II van 1004 en 
1016, voor de abdijen van Andlau en Schutterh. Hij 
stierf, even als zijn broeder zonder afstammelingen. 
Zijne vrouw Bertha leefde nog in 1068 »). 

Dit laatste is zeer onwaarschijnlijk als zij in 980 reeds 
moeder was, — en dat moet zij geweest zijn , waren 
deze EvERHARD en Bertha dezelfde personen als die 
genoemd worden ouders van bisschop Berenger van 
Toul, — want dit onderstelt een leeftijd van meer dan 
honderd jaren. 

Den 7 Juli 930 gaf Koning Hendrik I op verzoek 
der «egregii comités» Ebehardus en Gisalbertüs ver- 
scheidene goederen ook tusschen Rijn en Maas aan 
het Maria-stift te Aken, als te Aken, Meerssen, Lin- 
nich, Nijmegen, Hernen, Ascola, Rechem, Duuren, 
Willere, Flatten, Moffendorf. Daar deze graven ver- 
zocht hadden de schenking te doen , mag men be- 
sluiten dat die goederen lagen in den kring hunner 
graafschappen , of dat zij althans betrekking op die 
plaatsen hadden. Gisalbert is ongetwijfeld graaf geweest 
over de Maasgou. Aken , Meerssen , Linnich , Ascola , 
Willere , en mogelijk Rechem , lagen in de Maasgou. 
Duuren , Flatten en Moffendorf zullen ook onder het 
gebied van Gijsbert behoort hebben, maar Nijmegen 
en Hemen lagen in het land tusschen Maas en Waal. 
Men zou aldus deze Everhard eene plaats kunnen geven 
onder de graven die daar gezag hebben uitgeoefend, 



Digitized 



by Google 



79 

Wel leefde ia dien tijd een Everhard graaf in Lahn- 
gou en Hameland beoosten den IJssel, gehuwd met 
Amalrada, zuster van keizerin Mathildis, maar er is, 
dunkt ons, geen reden aan dezen de voorkeur te geven 
boven Everhard IV, den broeder van Mengosus , die 
van 940 — 951 graaf was in Nordgou. 

Maar is dat zóó, dan wordt daarmede ook beslist 
dat niet alleen aan I lameland, maar ook aan Hattuarië 
de afstammelingen van Everhard zoon van BrUxNHarius, 
graven hebben geleverd, en hoe gering de gegevens 
ook zijn, kan men zelfs de opvolging van deze in grove 
trekken, zonder te groote vermetelheid, opgeven. 

Voor 1033 vindt men verder in oorkonden geen 
Everhard vermeld die betrekking kan hebben op deze 
streken. Op 29 September 1033 is een Everhard, 
graaf . getuige in een brief door welken paltsgraaf 
Hetzel een heerenhof bij Leuvenich schenkt aan 
St. Gereon te Keulen. In 1064, den 15 April is nog 
een Everhard getuige in eene ruilingsverdrag tusschen 
Udo bisschop van Toul en de abdij van CorneJimunster, 
en men zou op grond van deze oorkonde kunnen 
besluiten , dat deze Everhard dezelfde geweest is, die 
met zijne vrouw Bertha de kerk te Neus stichtte, 
ware niet Berenger bisschop van Toul in dien brief 
genoemd. De Everhard van 1064 kan toch on- 
mogelijk vader van bisschop Berenger of Berthold 
geweest zijn, en derhalve zal men te denken hebben 
aan twee Ev£:rhards die beiden getrouwd waren met 
vrouwen die Bertha heetten. 

Van het oudere paar, van Everhard en Bertha, hebben 
wij een zoon Berenger bisschop van Toul leeren ken- 



Digitized 



by Google 



8o 

nen. Hij schijnt nog eene dochter gehad te hebben, 
die gehuwd geweest is met een Weselo of Wezel. 
Deze volgde hem van 1027 tot 1035 op in Nordgou »). 

De mannelijke lijn van Everhard V was met Ever- 
hard Vï uitgestorven en na Weselo volgde, volgens 
Grandidier op dezen de oom van Everhard VI, in 1035, 
HuGO IV, graaf van Egisheim. Het is moeilijk aan te 
nemen, dat Hugo IV een zoon was van Hugo II en 
broeder van Everhard V. Gelijk boven vermeld is, was 
Everhard V in 984 graaf, alzoo 51 jaar voor 1035. 
Laten wij nu Everhard in Hattuarië Bertha en Berenger 
op zij, en nemen wij aan dat Everhard 16 jaar oud 
was toen hij graaf werd, en Hugo IV twee jaar jonger, 
dan zou die Hugo geboren zijn in 970; hij regeerde 
tot 1049 alzoo tot hij 79 jaar had bereikt. Maar zijn 
neef Hugo moet in 996 minstens 16 jaar oud geweest 
zijn, alzoo geboren in 980 en het is niet te onder- 
stellen , dat oom en neef slechts tien jaren in leeftijd 
zouden verschild hebben , vooral niet, daar Hugo II 
vader van Everhard V, en volgens Grandidier van 
Hugo IV, reeds in 951 graaf was en in 960 zeer zeker 
den mannelijken leeftijd bereikt had. 

Volstrekt onmogelijk is het, dat Hugo IV zoon was 
van Hugo II, wanneer Everhard VI in het jaar 1010 
reeds een zoon had die bisschop was, en veel waar- 
schijnlijker, dat hij een zoon geweest is van een Hugo, 
zoon van Hugo II. 

Wie was de jongere Everhard ? *) — . Dat hij gehuwd 
is geweest met eene kleindochter van den vorigen is 
mogelijk, daar zijne vrouw ook Bertha heette. Misschien 
was zijn schoonvader Weselo. Daar hij het eerst teekent 



Digitized 



by Google 



8i 

in eene oorkonde die betrekking heeft tot Loevenich 
bij Erkelens *); in 1041 komt hij voor bij eene gift 
in de Loupendaler en Lindorfer mark. Mogelijk be- 
hoorde hij tot hetzelfde geslacht als zijn voorzaat 
EvERHARD IV. Hij schijnt geen zoon te hebben nage- 
laten : was hij uit een ander geslacht, dan is daaraan 
weinig gelegen. 

Tusschen de jaren 1076 en 1099 komt eene gravin 
Adelheid voor, dochter van Everhard en weduwe van 
Hendrik. Door de handen van Herman, die haar door 
dén Keizer tot voogd gegeven was, stond zij aan 
St. Maarten te Utrecht Orthen af tegen Weurt bij 
Ewijk en Wadenoyen bij Tiel. Mogelijk was zij eene 
dochter van den tweeden Everhard en zeker had zij 
geen broeder of zoon, omdat de Keizer Herman, die 
blijkbaar haar niet in den bloede bestond , tot haar 
voogd heeft aangesteld. Wie of wat haar man geweest 
is, blijkt niet. Mogelijk graaf Unroch, in wiens graafschap 
in 1073 Kempen lag. Hij komt voor in eene oorkonde 
van 1074. Lacomblet meent, dat hij zoon was van 
den onmiddelijk hem in dien brief voorafgaanden 
graaf Herman. Die Herman heeft in dit geval misschien 
zijn zoon overleefd en werd haar voogd. In Molengou 
vindt men op die wijze : Unroch of Hendrik, gehuwd 
met Adelheid, dochter van zijn voorganger Everhard 
gehuwd met Bertha — voor dezen misschien Wesilo — 
en voor dien een anderen Everhard, gehuwd met een 
andere Bertha. 

De grootmoeder van Diederik II, graaf van Cleve, 
heette Bertha. Het eerst komt hij voor in eene oor- 
konde van 1093. In 1117 was hij dood. Vermoedehjk 

6 

Digitized by LjOOQlC 



82 

was die Bertha moeder van zijnen vader Diederik, 
zoodat zijn grootvader zal gehuwd geweest zijn met 
eene dochter van Everhard de jongere en deze vrouw 
eene zuster was van evenvermelde Adelheid •). 

Wij zijn hier aan het einde der rei van graven, 
afstammende van Everhard zoon van Brunharius, die 
in Hattuarie grafelijk gezag bezeten hebben ; toch dient 
nog vermelding, dat van Everhard IV afstamde Louis 
van Montbeliard (1034— 1065) gehuwd met Sophl\ 
dochter van Frederik II van Lotharingen van wien o. a. 
afkomstig zijn de heeren van Altena in Noord-Brabant. 
Uit dit huis zijn verscheidene Nederlandsche aanzienlijke 
geslachten ontsproten, welke alzoo ongetwijfeld be- 
hooren tot de oudste adellijke, en wier voorouders 
reeds tijdens de Carolingers in ons land gegoed zijn 
geweest. 




Digitized 



by Google 



WICHARD VAN PONT EN OTTO VAN NASSAU. 

XIII. 

De oude genealogen *) noemen als Praefecti Gelriae 
Mengosus filius WicHARDi, en werkelijk was Mengosus 
een zoon van Hugo I graaf van Nordgou (900 — 940). 
Mengosus stierf in 1004 zeggen zij (lees looi). Op hem 
laten zij volgen Wilringus filius vel cognatus Mengosi, 
stierf 1028, WiCHARD die stierf 1054 en dan Otto van 
Nassau gehuwd eerst met Adelheid dochter van Wichard 
van Gelre en daarna met Sophia van Zutphen. Op dezen 
volgt de historische Gerard I. 

De opvolging Mengosus , Wilringius en Wichard 
komt zeer goed overeen met de legende aangaande 
Willem , die tusschen 1054 en 1075 bisschop van Utrecht 
was. Deze wordt gezegd geweest te zijn een zoon van 
Wilringus, Widechinus, Wiking, volgens van Loon 
Hunerik of Unroch , en broeder van Wichard praefectus 
Gelriae, ook wat de jaren betreft. 

Van Berchem slaat in zijne uitvoerige geschiedenis, 
na Mengosus, Wilringus en Wichard over, en komt op 
Otto dien hij noemt eerste graaf van Gelre en Zutphen. 
Hij zegt , dat die Otto van vaderszijde uit de Keizers 
Otto en de hertogen van Saksen, en van moeders kant 
uit de graven van Gelre en Zutphen voortkwam. 
(Alzoo van moederszijde uit het huis van Nordgou). 



Digitized 



by Google 



84 

Hij Iaat Gerlach als graaf van Gelre en Zutphen op 
Otto volgen , maar zegt nieL , dat Gerlach een zoon 
van Otto was. Hij gelooft, dat Willem bisschop van 
Utrecht Gerlach's broeder geweest is. Gerlach te IJssel- 
monde in 1076 gesneuveld zijnde, werd door Otto II, 
die, naar men meent, zijn zoon was, opgevolgd >). Na 
diens dood aanvaardde Gerard I, die vermoedelijk 
zijn zoon was, de regeering. 

Hiermede strookt van Berchems Chronicon brevü 
niet. Onze eerste opgaaf is daaraan ontleend. 

J. M. Kremer is van meening, dat Otto stamvader 
o. a. ook der latere graven van Nassau , gehuwd met 
Aleid, dochter van Wichard II van Gelre, nooit graaf 
van Gelre geweest is, wel een zoon van dezen, ook 
Otto geheeten, en dat die gehuwd was met Sophia van 
Zutphen »). 

Bn. VAN Spaen ontkent, dat een Otto van Nassau 
graaf geweest is van Gelre. Hij meent, dat in het midden 
der 15e eeuw, toen Adolf, graaf van Nassau, stad- 
houder in Gelre en Zutphen was , wegens Koning Maxi- 
MiLiAAN en Maria van Bourgondie , dit verhaal in de 
wereld is gekomen. Toch is het niet ontnogelijk, dat 
reeds vroeger 't een of ander bekend was, althans 
van het gezag dat Adolfs voorvaderen in Zutphen 
hadden uitgeoefend. Van Spaen schijnt Johan van Leyden 
voor den uitvinder te houden. Evenwel vermeldde 
reeds Johann Coelhoff in de oude Keulsche kroniek 
den oorsprong der graven van Gelre uit Nassau, maar 
met een «men zegt». Hij twijfelde alzoo. 

De vereeniging door van Berchem van de beide graaf- 
schappen Gelre en Zutphen onder één graaf Otto kan 



Digitized 



by Google 



8$ 

zijn oorsprong hebben in den giftbrief van 27 Sep- 
tember 1074. ^ij stelt Ottos regeering in Gelre'van 
1054 tot II 07. Otto komt onder de onderteekenaren 
aldaar voor als Otto comes Zutphaniae et de Gelria. 
Die onderteekening en het jaartal verklaren hoe van 
Berchem en anderen aan hun graaf Otto van Zutphen 
en Gelre gekomen zijn. Intusschen zal men dien brief 
moeten brengen op 1009 of loio of hem verwerpen. 
Dat is boven afgehandeld, toen wij over Everhard en 
Bertha spraken. 

Zeker is het, dat in het begin der Xle eeuw een 
Otto heer en graaf van Zutphen geweest is, en dat deze 
behoorde tot de stamvaders van het huis van Nassau. 

J. M. Kremer noemt onder de stamvaders van dat 
huis Everhard graaf van Lahngou. Deze had drie zoons, 
KoENRAAD, Everhard en Diederik. Diederik is geweest 
bisschop van Metz. In diens levensbeschrijving wordt 
gezegd, dat hij afkomstig was uit Hameland. Zijne 
moeder was Amalrade, dochter van graaf of hertog 
DiEDEiuK, zuster van Keizerin Mathildis. — Everhard, 
zijn vader, stierf in 902, in de kracht van zijn leven 
ten gevolge van in een gevecht bij Bamberg bekomen 
wonden. ^ 

Diederik, de vader der moeder van den bisschop, 
is geen Hamelandsche graaf geweest , ook niet graaf 
van Ringelberg of elders in Westfalen maar in Ned er- 
Saksen, in Brabant of Vlaanderen, zoodat Everhard 
niet door zijne vrouw graaf in Hameland geworden 
was. Hij was een afstammeling van den hofmeier 
Bercharius, volgens onze meening een broeder van 
den hofmeier Ebroïn, en het is derhalve niet onwaar- 



Digitized 



by Google 



86 

schijnlijk dat na den dood van den hofmeier Oxroin 
642, Hameland reeds gesplitst en van dat uitgestrekte 
land afzonderlijke deelen onder bestuur der beide uit 
dezen gesproten geslachten gekomen is. 

EvERHARD, broeder van bisschop Diederik, was in 943 
graaf in Umbalaha (Vollenhoven) in 944 in Triante 
(Drenthe) in 956 in Salon (Salland). J. M. Kremer noemt 
hem slechts graaf in Lahngou, na den dood van zijn 
broeder Koenraad in 948 tot aan zijn dood in 966. 
Kremer wist niets van Everhards graafschappen in de 
Nederlanden. 

EvERHARD had twee zoons: Koenraad, die in 953 
sneuvelde en Otto, die nog voor zijn vaders dood uit 
Duitschland gebannen werd , wegens deelneming aan 
den opstand van markgraaf Berengarius II. Dit ge- 
schiedde in 966 , toen , om dezelfde redenen , ook 
RuDOLF graaf van Hespengou zijn graafschap verloor. De 
Hamelandsche graafschappen van Everhard werden nu, 
na diens spoedig op de verbanning zijns zoons gevolgden 
dood, gesteld onder Wichman, vader van Adela, deze^ 
was reeds graaf over het andere deel de Lahngou 
onder een graaf Hugo. Misschien dezelfde persoon als 
Wichman of een ander. 

Otto of Otto s zoon kreeg later de bezittingen aan 
de Lahn terug. Deze Otto stierfin 990. Volgens Kremer 
was hij dezelfde Otto als de verbannene en had vier 
kinderen. Everhard die op tienjarigen leeftijd stierfin 
998. Gerlach graaf van Lahngou en Hessen tusschen 
993 en 1008. Otto, gehuwd met Adelheid van Gelre, 
overleden omstreeks het jaar 1034 en Williburg, ge- 
huwd met Ludolf van Wulfelingen. 



Digitized 



by Google 



87 

Het schijnt , dat er verwantschap heeft bestaan 
tusschen Wichman en Everhard, eene nadere dan 
dat beiden uit denzelfden hofmeier ontsproten waren. 
Otto , vader van den oudsten Everhard , was gehuwd 
met RoTRUDis dochter van Hugo graaf van Suntgou. 
Misschien stond Amalrades vader Diederik in familie- 
betrekking tot LuiDGARDis, WicHMANS vrouw, — mogelijk 
bestond betrekking door de gemalin van den jongeren 
Everhard, wier naam en afkomst onbekend zijn. Kremer 
meent , dat deze naverwant was aan Frederik hertog 
van Lotharingen : wij meenden , dat hij gehuwd is 
geweest met eene dochter van paltsgraaf Wigerik. 

J. M. Kremer betoogt , dat Otto , zoon van Otto , 
getrouwd met Adelheid van Gelre, in 1023 Nassau van 
Keizer Hendrik II verkreeg. Intusschen schonk in 1034 
AzECHO bisschop van Worms het landgoed Nassau, ge- 
legen in Lahngou in het graafschap van Wigger en 
ArxNold, aan het altaar van de HH. Hippolitus en 
NicoMEDES. Hij had dat praedium gekocht , en dit zou 
doen vermoeden , dat Otto in Duitschland terug ge- 
keerd zijnde, Nassau niet terug ontving, maar dat dit 
goed in 966 verbeurd verklaard zijnde, geschonken is 
aan het stift van St. Maximinus te Trier. Keizer 
Hendrik II ontving 6656 mansi van dat stift, welke 
hij als ambtsleenen schonk aan paltsgraaf Ezo, hertog 
Hendrik en zekeren Otto. Dezen Otto houdt Kremer 
voor Otto van Lahngou, maar door anderen is dat 
betwijfeld en niet ten onrechte, daar de bezitter van 
Nassau het aan Azecho verkocht, en *t volstrekt niet 
zeker is, dat St. Maximinus die eigenaar was. Ook 
wordt Nassau niet genoemd onder de goederen van 



Digitized 



by Google 



88 

dat stift in de oorkonde bij Kremer Orig. Nass. II 
n°. LXXI. Van wien Azecho Nassau gekocht heeft is 
onbekend. Nassau zal, even als alle andere goederen 
van Otto verbeurd verklaard en door den Keizer weg- 
gegeven zijn , maar de verwanten van Otto zullen 
beweerd hebben , en hij zeer zeker na zijne herstelling, 
dat de verbeurd verklaring zich wel kon uitstrekken 
over in leen gegeven goederen, die op het oogenblik 
zijner verbanning in zijn bezit waren , maar niet tot 
familiegoederen , die , toen hij verbannen werd , nog 
niet in zijne macht gekomen waren : tenzij ten gevolge 
vap een later vonnis. Nassau werd door de leden van 
dat huis in gemeenschap bezeten : 't was waarschijnlijk 
een of het oude stamgoed , de oudste alodiale bezitting 
van dat geslacht aan de Lahn , 't welk natuurlijk nog 
niet den grafelijken titel erfelijk bezat. Toen degouen 
werden uiteengerukt en de graafschap als erfgoed be- 
schouwd werd , werden de alodiale familiegoederen 
met der tijd met de grafelijke ambtsgoederen vereenigd 
en onder denzelfden naam begrepen. 

WoRMS kon zich niet handhaven en verkocht zijne 
rechten aan het bisdom van Trier. De twist bleef 
voortduren totdat Waleram van Nassau, in 1158, het 
slot Nassau en het daarbij behoorende hofgoed erkende 
te zijn een Triersch leen. De leenband schijnt echter 
in 1192 reeds opgeheven te zijn. 

Het slot te Nassau is op den berg gebouwd tusschen 
1124 en II 58, maar Nassau zelf bestond reeds veel 
vroeger en bevatte een curtis. De persoonlijke toenaam 
van Nassau Kan derhalve reeds veel vroeger in gebruik 
geweest zijn dan de familienaam. Het aannemen of 



Digitized 



by Google 



89 

toevoegen ter onderscheiding van woonplaats of zetel, 
zal toch wel reeds in zeer oude tijden evenzeer in ge- 
bruik zijn, als het geven of aannemen van een bijnaam, 
ontleend bv. aan een familiebijzonderheid of per- 
soonlijke hoedanigheid. Doch keeren wij terug tot 
Otto, zoon van Everhard. 

Zeker kan men den leeftijd van Otfo , die in 978 
een zoontje had dat 10 jaar oud was, niet uitstrekken 
tot in het jaar 1034, want dan zou hij toen ongeveer 
96 jaar oud geworden zijn , geen onmogelijken leeftijd 
voorzeker, maar die, bij zijn waarschijnlijk zeer be- 
wogen leven , toch buitengewoon zou zijn geweest. 
Ook om andere redenen is het aan te nemen , dat hij 
ongeveer 20 of 30 jaar vroeger is overleden. 

Otto, zoon van Everhard, kreeg al de Hamelandsche 
graafschappen van zijn vader niet terug; wel, naar 
het schijnt, de heerlijkheid en het daarom gelegen 
graafschap Zutphen, zoodat Zutphen niet door huwelijk 
aan hem gekomen is. Nergens blijkt, dat Wichman 
ooit heer of graaf van Zutphen geweest is : maar al 
ware hij daar ook graaf geweest, dan nog is Zutphen 
na zijn dood niet aan eene dochter van hem, en door 
haar bij erfrecht aan Otto gekomen. 
Ottos dochter Mathildis huwde met Ludolf, zoon 
van paltsgraaf Ezo en bracht dezeh de heerlijkheid 
Zutphen aan. Otto zal derhalve behalve Williburg 
nog deze dochter gehad hebben. Van zijn zoon Gerlach 
meent Kremer het ster^aar op 1008 te moeten stellen, 
ofschoon hij de mogelijkheid toegaf, dat Gerlagh langer 
geleefd heeft. De vraag kan derhalve gesteld worden 
of Gerlach, die volgens Buchelius graaf van Zutphen 



Digitized 



by Google 



90 

was, en, zonder vermelding van graafschap door de 
HoUandsche kroniekschrijvers, in den oorlog tusschen 
Utrecht en Holland in 1076 te IJsselmonde sneuvelde, 
was Gerlach zoon van Otto van Lahngou , graaf 
van Zutphen. 

Gerlach schijnt in den slag in de Merwede ge- 
sneuveld te zijn, alzoo in 1018 en niet in 1076 te 
IJsselmonde. De chronologie bij J. M. Kremer Iaat dat 
jaar toe *). 

Wij verzoeken onze lezers ook hier acht te geven 
op de gelijkheid der namen bij de nederlandsche genea- 
logen en bij !. M. Kremer. Deze laatste dacht volstrekt 
niet aan de mogelijkheid , dat de personen , die hij in 
zijne genealogie van het huis van Nassau vermeldde 
vóór Otto , volgens hem graaf van Zutphen en Gelre, 
eene rol in de Nederlandsche geschiedenis vervuld 
hadden, evenmin als Grandidier dit dacht van zijnegraven 
van Nordgou. Er is alzoo hier niet te denken aan een 
opzettelijk knoeien of pasklaar maken. De Nederlandsche 
genealogen gaven wat volgens overlevering bestond; 
Kremer van zijn kant gebruikte de critische methode. 
De zijne is geweest eene proef op eene som, die hij 
niet van plan was uit te werken. Hij en Grandidier 
hebben zich echter voor onze geschiedenis verdienstelijk 
gemaakt zonder dat zelf te vermoeden ; door hun arbeid 
is ons deze mogelijk geworden. 

Toen in 966 Otto verbannen en zijn vader gestorven 
was, werd de Lahngou gesteld onder een graaf Hugo. 
Mengosus had een broeder die Hugo heette en van 
wien men verder niets weet , dan dat hij graaf ge- 
weest is en in 959 nog leefde. Mogelijk is deze Hugo 



Digitized 



by Google 



91 

EvERHARD in Lahngou opgevolgd. Everhards zoon Otto 
zal wel niet met eene dochter van dezen Hugo getrouwd 
zijn, daar Hugo ongeveer van denzelfden leeftijd was 
als Otto. Wel kan een zoon van Otto eene dochter 
van Hugo tot vrouw gehad hebben. In dat geval zou 
Otto, zoon van Otto, eene vrouw ten huwelijk gehad 
hebben die rechten heeft bezeten op Gelre ; maar volgens 
de genealogen , en met dezen moet men hier rekening 
houden , was Wichhard van Gelre een zoon van Wil- 
ringus en niet van een Wichard of Hugo. 

Onder de bloedverwanten van Mengosus vindt men 
geen Wilringus. Onmogelijk is het niet, dat Hugo, 
broeder van Mengosus , een zoon had die Wilringus 
heette , maar dan stuit men op de jaren , want de 
Otto, die hier als graaf van Gelre kan worden aan- 
genomen , de eenige , is de Otto vermeld in den brief 
van aartsbisschop Anno: Otto graaf van Zutphen en 
Gelre. Deze brief is, gelijk wij opmerkten, als hij echt 
is, van 1009 of loio. 

Als zeker kan men aannemen , dat Wichard de stam- 
vader der graven van Molsberg en Arnold graaf van 
Einrichgou en Arnstein kleinzoons waren van den 
verbannen zoon van graaf Everhard , en zoo men eenige 
waarde kan hechten aan den titel in gemelde oorkonde 
aan hun grootvader gegeven , dan zal men , om het 
verband met de lijst der voogden van Gelre te be- 
waren, den tweeden Otto, zoon van Otto, broeder 
van Gerlach moeten schrappen en vervangen door 
Wilringus, nl. in de lijst bij J. M. Kremer. 

De naam Wilringus komt ongetwijfeld veel meer 
overeen met Udalricus dan met Hunerik , Unroch of 



Digitized 



by Google 



92 

Hendrik, De onderstelde Wilringus zou in 1028 over- 
leden zijn. In 1032 komt voor een Udalricus urbi 
praepositus van Keulen , alzoo stadsvoogd , getuige van 
aartsbisschop Pilgrim van Keulen, en in 1033 is een 
WicHMAN getuige van graaf Hetzel. Het blijkt niet, 
dat die Wichman een zoon was van Udalricus , noch 
waar hij te huis behoorde. Slechts gelijkluidenheid 
van naam en overeenkomst van tijd geven eenig 
vermoeden, dat de opgaaf der genealogen niet geheel 
is uit de lucht gegrepen. 

Onder de afstammelingen van Otto van Lahngou 
(en Zutphen) treft men ook een Udalricus of Adalricus 
aan, graaf van Idstein. Hij was zoon van Wernher II 
van Lahngou. Deze stierfin 11 24. 

Willem was de twintigste bisschop van' Utrecht 
(T054-— 1062). Beka zwijgt van zijne afkomst, maar 
Heda, wiens nauwkeurigheid terecht geroemd wordt, 
noemt hem een broeder van den graaf van Gelre, en 
Buchelius teekende er bij aan : broeder van den praefect 
Wichard , zoon van Wiking. Anderen noemen hem 
Willem van Pont. Buchelius geeft daarbij eene afbeel- 
ding van het oude zegel van Dordrecht met op de 
keerzijde de Geldersche roos. 

Wanneer het vermoeden van de afkomst van bisschop 
Willem gegrond is op die roos, heeft het niet veel 
te beteekenen ^). 

Dat bisschop Willem bloedverwant zou geweest zijn 
der heeren van Zutphen Godescalk en Adelheid, be- 
rust mogelijk op een slecht verstaan der inleiding van 
den brief van 1059. Intusschen is, wanneer Otto 
van Lahngou werkelijk tevens graaf geweest is van 



Digitizedby 



Google 



93 

Zutphen en Gelre, bloedverwantschap niet onmogelijk. 

Wanneer Wilringus een zoon geweest is van Otto, 
dan is hij vader geweest van bisschop Willem van 
Utrecht , Arnold graaf van Arnstein en Wichard stam- 
vader der graven van Molsberg, die in 1034 voor- 
komt. Maar dan is die Wichard ook geweest heer 
van Pont en graaf of praefectus van Gelre en had hij, 
behalve zoons, eene dochter, die gehuwd is geweest 
aan Gerard III van Wassen berg tusschen 1066 en 1096. 

Dit alles berust op de zeer twijfelachtige juistheid van 
eene zeer wrakke oorkonde, in verband met berichten 
van zeer weinig critische genealogen. 

Elders heb ik gesteld , dat Otto mogelijk gehuwd 
was met eene dochter van Mengosus. Gelijk boven ge- 
bleken is, ben ik op dat punt van meening veranderd. 
Verwarring tusschen Molsberg en Molsbach was er 
oorzaak van. De mogelijkheid blijft echter bestaan, dat 
Everhard, vader van Otto , gehuwd was met eene 
dochter van paltsgraaf Wigerik , dat zal zijn Wilricus 
of Ulricus , 't welk zou verklaren hoe de naam Ulrich 
in het huis van Lahngou gekomen is ; maar ten op- 
zichte van den naam der vrouw van Otto en of en 
hoe die vrouw in verband stond met Gelre, blijft de 
grootste duisternis heerschen. Niets schiet over, dan 
aan te nemen , dat niet Otto maar zijn zoon Ulrich 
gehuwd is geweest met eene dochter van Hugo, broeder 
van Mengosus , en dat na dezen in Gelre volgde Ulricus 
zoon Wichard. 

Zeker is het, dat tusschen Mengosus en Gerard I 
van Gelre, tusschen de jaren lOoi en volgens van 
Spaen 1094, eenige personen heeren of graven van 



Digitized 



by Google 



94 

Gelre geweest zijn. Zij die met onze verklaring geen 
vrede kunnen vinden, mogen eene andere zoeken of 
dit tijdvak onaangevuld laten. 

Gedachtig aan de les van den uitstekenden criticus 
VAN Spaen , dat men in deze duistere tijden zich bij 
gebrek aan zekerheid dikwijls met het waarschijnlijke 
moet vergenoegen , hebben wij het werk der oude 
genealogen en kroniekschrijvers in dit hoofdstuk niet 
als beuzelarij verworpen, maar getoetst aan oorkonde 
en mogelijkheid. Wij verbeelden ons niet hier iets 
afdoende bewezen te hebben, maar toch wel iets 
bijgebracht waarbij men zich kan nederJ eggen, totdat 
het tegendeel bewezen of iets beters geleverd zal zijn. 
* Wij komen overigens later op dit onderwerp nog terug. 




Digitized 



by Google 



DE VLAAMSCHE BROEDERS. 
XIV. 

Op het einde der vorige eeuw ontving de door zijne 
Oordeelkundige Inleiding tot dé Historie van Gelderland 
en andere geschied- en geslachtkundige werken be- 
roemde rijksvrijheer van Spaen , van den heer Ernst, 
kanunnik van Kloosterrade, pastoorteAlfd en, schrijver 
van eene geschiedenis van Limburg en medewerker aan 
l'Art de verijier les dates , eene mededeeling uit de 
Annales 'Rhodenses, welke van Spaen bekend maakte 
in zijn bovenvermelde Inleiding, Later nam de abbé 
Ernst dat stuk op in zijne Histoire du Limbourg, 
terwijl de Annales in hun geheel thans zijn te vinden 
in de (Monumenta Scriptorum van Pertz »). 

Door die Annales wordt een geduchte felag toe- 
gebracht aan de opgaven van oude kroniek- en ge- 
slachtlijst-schrijvers. Door van Spaen en l'Art de 
verijier les dates werd eene nieuwe geschiedenis der 
graven van Gelre verbreid. Ernst leverde, gelijk wij 
reeds zagen , in laatstgemeld werk ook een artikel over 
de graven van Cleve. Door beiden zijn alle vroegere 
geschiedschrijvers over deze onderwerpen verdrongen. 

Wat de geschiedenis van Cleve betreft is boven aan- 
getoond , dat de abbé door een paar oorkonden is 
misleid. Evenwel zal zijn arbeid altijd hare waarde 



Digitized 



by Google 



96 

behouden en de oude geschiedenis van Gelderland is zoo- 
veel aan van SpaeiN verplicht, dat men hem er den vader 
van zou kunnen noemen, terw^ijl hij tevens getoond heeft, 
hoe men bij dergelijken arbeid te werk moet gaan. 

De oorkondenboeken van Bn. Sloet en van Lagom- 
BLET bevatten alles wat men tot nu toe in oorkonden 
omtrent de oudste geschiedenis van Gelderland en 
Cleve gevonden heeft. Niet waarschijnlijk is het, dat 
nog vele oorkonden ergens schuilen en later voor 
den dag zullen komen. Lacomblet gaf voor zijn oor- 
kondenboek ook eene voortreffelijke korte geschiedenis 
der graven van Cleve en Meurs. 

Ernst , van Spaen en Lacomblet hebben echter hunne 
overzichten en geschiedenissen niet hooger opgevoerd 
dan tot de bedoelde mededeeling in de Annales 
Rhodenses. 

Die Annales vermelden, dat in Vlaanderen twee 
eigen broeders bloeiden , beroemd en machtig in de 
wereld. De eene heette Gerard, de andere Rutger. 
Zij waren onoverwonnen verdedigers van Vaderland 
en Staat. Hierdoor ontstonden tegen hen zware oor- 
logen van wege de vorsten van het land , weshalve 
zij zich begaven in den dienst des Keizers, die Gerard bij 
Wassenberg en Rutger bij Kleef plaatste, zooveel en 
zoodanige beneficia van land aan ieder van beiden 
gevende , dat zij zelf en hunne nakomelingen, bij geluk 
van zaken, vorsten geworden zijn van het land. Uit 
hun edel geslacht (progenies), dat in hun geboorteland 
achterbleef, ontsproot een edel man Amorricus ge- 
naamd , die bij zeker oppidum Antonium, niet ver 
van de stad Doornik, woonde *). 



Digitized 



by Google 



97 

Verder vermelden de annales dat Amorricus huwde 
en onder anderen een zoon kreeg, Ayelbertus geheeten, 
die te Doornik tot geestelijke werd opgeleid. Hij bouwde 
bij die stad een kerk en ging vervolgens met zijne 
broeders Theyemo en Walcher op reis oostwaarts tot 
hij kwam tusschen Rijn en Maas te Rode bij Maastricht. 
Zij stichtten daar een klooster. 

Ayelbertus en zijne broeders waren bloedverwanten 
van Gerard graaf van Gelre , Gozewyn van Heinsberg, 
graaf Hendrik van Krieken beek en graaf Diederik 
van Cleve, pronepotes, dat is, achterkleinzoons van 
eerstgenoemde vlaamsche broeders uit wier geslacht 
(cognati) ook de drie kloosterstichters waren. Ailbertus 
van Saphenberg gaf Ayelbertus land tot stichting van 
kerk en klooster *). Dit geschiedde in 1104. 

Dit verhaal berust op overlevering ; althans geeft 
de auteur geen nauwkeurige opgaaf van feiten , noch 
betreffende den tijd van de komst van Gerard en 
RuTGER, noch van den graad hunner verwantschap 
tot Ayelbertus en zijne broeders, noch zelfs tot de 
aanleiding waarom Gerard en Rutger Vlaanderen 
verlieten. 

Natuurlijk ligt de vraag voor de hand naar de 
afkomst van de broeders Gerard en Rutger, terwijl 
opvallend is, dat ongeveer hetzelfde vermeld wordt 
(wat betreft plaatsing door den Keizer van twee broeders 
in ambten, en het daarna ontstaan van een aanzienlijk 
geslacht) van de beide broeders Egino en Rudolf, 
die ook omstreeks het jaar 1020, zich vestigden bij 
Reutlingen. Van Egino verneemt men verder niets. 
Van Rudolf stammen de graven van Achalm, Urach 

7 

Digitized by LjOOQlC 



i 



98 

en Freiburg in Breisgou. Van waar zij kwamen is niet 
bekend. Hun vader zou geheeten hebben Witbodo of 

WiTPERTUS. 

RuDOLF huwde met Adelheid , dochter van Liutho 
van Wulfelingen en Williburg, zuster van Gerlach 
zoon van Otto van Lahngou (en Zutphen) en had bij 
haar verscheidene kinderen , onder welke wordt op- 
gegeven eene dochter, gehuwd aan Koenraad graaf van 
Leksmond of Lakemond. Bisschop Burghard van Utrecht 
zou zoon van dat paar geweest zijn. 

Volgens de genealogen had Burghard verscheidene 
broeders. Zulzer noemt Berthold, Cuno, Otto en 
Wernher graaf van Groeningen, stichter van het klooster 
Breitenau in Hessen. Hij zelf was bisschop tusschen 
de jaren 1099 en 11 12. 

Wij hebben over dien bisschop reeds gesproken. 
Met Lagisgemunda wordt misschien Lakemond be- 
doeld, thans een buurtschap, tegenover Wageningen 
in de Betuwe gelegen en in 1539 met die gemeente 
vereenigd. In 1370 beleende de graaf van Cleve, heer 
Rutger van Lakemonde, ridder, zoodat Lakemonde 
Kleefsch leen was. Insgelijks Indocrnik, wier heeren 
den titel droegen van graven Indoornick. 't Geslacht van 
Lakemonde schijnt denzelfden oorsprong gehad te heb- 
ben als dat van Homoet, Lawick en Ingenuwland. Horneet 
is een oude vrije heerlijkheid en altijd eigen goed, 
allodium, geweest; het nabij gelegene Hemmen, van 
ouds een onmiddelbaar rijksleen , dat , zoover men 
kan nagaan, altijd aan het geslacht van Doornik 
behoorde. 

Hendrik van Dornigk deed in 11 16 afstand van 



'A-A . 



A'/<*ï *h:/r '^■■^1 



<. /^ ' ' i . . ' ' - '*' ■ / ' Digitized by VjOOQ iC 



99 

Furstenberg in het gebied van Xanten, dat hij van 
aartsbisschop Frederik T van Keulen in leen had, tegelijk 
met Matfried, die Kelebrug in de parochie Kempen 
afstond. Had Graaf Balderik een zoon gehad , de 
KoENRAAD der genealogen, dan zou men dien voor 
den stamvader van dit geslacht kunnen houden , dat 
later in Doornik , Homoet , Lakemond, enz. voort- 
bloeide, want Balderik heeft de kerk van Setten, als 
allodium, bezeten en schijnt aanzienlijke bezittingen 
en een graafschap in den linker Rijnoever gehad te 
hebben. 

De wapens van de geslachten Doornick, Doornweerd , 
Heteren , Homoet , Lakemond en Meurs wijzen op 
gemeenschappelijke afkomst , en den naam Doornik 
uit het verhaal van den Annalist van Kloosterrade. 
Doornik in Lent komt het eerst voor in de elfde 
eeuw, mogelijk in 1020. Doornik in Kleefland en 
Indoornick in de Betuwe eerst later. Mogelijk was 
Doornik bij Lent in 1020 nog niet lang geleden ge- 
sticht of had eerst onlangs dien naam ontvangen. 
De naam Doornik en de eerstbekende namen der 
Heeren van Lakemond wijzen op Doornik in Vlaan- 
deren (Henegouwen) en op Rutger den jongste der 
Vlaamsche broeders. 

Bisschop Anno II had waarschijnlijk ook betrekking 
tot het huis van Achalm. Hij beschikte over vele 
goederen tusschen Rijn en Maas , zooals bij de stichting 
der abdij van Siegburg over Stralen in 1062 ; over 
de kerk en tienden van Gelder ten voordeele van 
St. Georg te Keulen in 1067, over de wildbaan te 
Hengsibach , maar deze goederen waren geene, die 



Digitized 



by Google 



loo 

door erfenis uit zijne familie aan hem gekomen waren; 
wei goederen afkomstig van Godezo van Aspel. 

Van de afkomst van Anno is niets met zekerheid 
bekend. Volgens de Keulsche Kroniek was hij geboren 
te Dassel, volgens Moyer was hij een graaf van Steus- 
lingen a/d Donau in Beyeren. Hij had volgens zijn 
levensbeschrijving tot ouders Walterus en Engela 
en tot broeders Otto, Haymo, Adalbero, Walterus en 
Wesilo. Walterus was een krijgsman , Wesilo bisschop 
van Maagdenburg. Nepotes van Anno waren Burghard 
van Halberstad en Koenraad electus van Trier. Wernher, 
bisschop van Munster was zijn broeders zoon. 

Wernher of Wesilo , bisschop van Maagdenburg , 
wordt gezegd graaf van Sonnenberg, zoon van Bur- 
ghard II, graaf van Halberstad te zijn geweest. Hij 
sneuvelde bij Melrichstad 7 Augustus 1178. 

Koenraad of Cuno, elect van Trier, was, naar men 
vermeldt , geboren uit edele ouders te Pfulingen 
(Zwaben) bij Achalm. Hij werd door Diederik , bisschop 
van Trier te Budberg gevangen genomen, en i Juni 
1066 van eene rots gestooten. 

De vader van aartsbisschop Anno moet geboren 
zijn omstreeks het jaar 1000 en zijne broeders Haymo, 
Walterus en Adalbero kunnen derhalve niet de Vlaam- 
sche broeders geweest zijn, die in het jaar 11 04 te 
Rode kwamen , hoewel de namen Theymo , Walgher 
en Ayelbertus wonderwel met die van drie der broeders 
van den aartsbisschop overeenkomen. De drie Vlaam- 
sche broeders zullen geboren zijn omstreeks het jaar 
1060 en Heymo, broeder van den aartsbisschop is 
alzoo mogelijk geweest hun vader Amorrigus. 



Digitized 



by Google 



lOI 

Niet alleen de afkomst uit Zwaben , die aan Anno 
en den elect van Trier wordt toegeschreven, wijst op 
verwantschap met Achalm, maar ook de overeenkomst 
der namen van Rudolf van Achalms zoons Cuno en 
Werner (Wesilo) en die der kleinzonen Cuno, Werner, 
Burghard en Otto , want Otto is een andere vorm 
van Anno of Hatto , met die der familieleden van 
den aartsbisschop; en werd onder de zoons van Rudolf 
een Walter vermeld, dan zou het voor de hand liggen 
aan te nemen , dat Witbodo, Wipert of Wichard een 
broeder geweest is van Walter, den vader van Anno. 

Hier dient nog gezegd, dat als ouders van graaf 
Eilbertus, stichter der abdij van Vassor (Waussoire) 
in de diocese van Luik worden genoemd graaf Ebroïn, 
achterkleinzoon van Amorricus, graaf van Narbonne 
en Bertha, dochter van Wideric en Eva. *) Wigeric 
was graaf van Ardennen, vader van Siegfried, eerste 
graaf van Luxemburg. 

Eilbertus, broeders waren : Udo graaf de Roix ; 
Herbert graaf van St. Quentin ; Gerhard graaf van 
Lo (Oudenaarden) ; Boso graaf van Asclo, die in 924 
in oorlog geraakt met Gijsbert, hertog van Lotha- 
ringen, door Berenger van Lomme tegen zijn eigen 
schoonbroeder werd bijgestaan, zoodat Berenger nog 
nadere betrekkfng op Boso zal gehad hebben ; Wigeric * ) 
en bisschop Marquart. 

De abdij van Vassor is gesticht toen Bruno, aarts- 
bisschop van Keulen, hertog was van Lotharingen 
in 956. D1EDERIK, bisschop van Mets, zoon van Ever- 
hard van Lahngou, was een bloedverwant van Eilbertus. 

De namen Amorricus, Eilbertus, Wigeric en Gerard 



Digitized 



by Google 



102 



geven vermoeden van verwantschap tusschea dit 
geslacht, dat van aartsbisschop Anno, de graven van 
Achalm, den priester Ayelbertus en Gerard, de Vlaming; 
die te Wassen berg. geplaatst werd door den Duitschen 
Koning. 

De verplaatsing der beide broeders had volgens 
den Annalist van Kloosterrade plaats ten gevolge van 
verdrijving uit Vlaanderen. 

In 1006 maakte Boudewyn , graaf van Vlaanderen, 
die tot bondgenoten had Lambert met den baard, 
graaf van Leuven, Reinier IV, graaf van Henegouwen 
en RoBERT II van Namen, zich meester van Valen- 
ciennes, het slot Eenham en andere plaatsen, die 
behoorden aan Godfried van Ardennen, hertog van 
Neder-Lotharingen en Brabant. Keizer Hendrik II kwam 
dezen te hulp , doch de keizerlijke troepen waren 
genoodzaakt het beleg van Valenciennes op te breken. 
Daarna werd de vrede van Aken gesloten. Boudewyn ver- 
kreeg Valenciennes als leengoed van het slot van Gent. 

Reinier IV van Henegouwen was na langdurige 
oorlogen in het bezit gekomen van dat graafschap, 
't welk vroeger door zijn vader bezeten w^as. Hij 
stierf in 10 10. Zijn zoon Reinier V volgde hem op 
en trok de partij van Lambert van Leuven, zijn oom, 
die in 1012 in zijne stad Leuven vruchteloos door 
da keizerlijke troepen belegerd werd. Met Balderik 
van Loon, bisschop van Luik, voerde Lambert oorlog 
over het kasteel Hougaarde. Hij sloeg diens troepen 
en rukte in 1015 in het gebied van Florennes, bij 
welke gelegenheid hij 12 Sept. sneuvelde. Zijn zoon 
Hendrik verzoende zich daarna met den Keizer. 



Digitized 



by Google 



I03 

De oorlog tusschen Keizer Hendrik II en Boudewijn 
met den baard was in 1 012 geëindigd. Bij die gelegen- 
heid moet alzoo het erfdeel .of leen der broeders 
Gerard en Rutger voor hen zijn verloren gegaan. 
De burggraaf van Gent werd met Antoing beleend. In 
dat jaar, of zeer kort daarna, zullen Gerard en Rutger 
naar Duitschland zijn uitgeweken. Dit in aanmerking 
nemende, zal men hun geboortejaar niet later kunnen 
stellen dan omstreeks 980. 

Wanneer men uit het voorgaande tot verwantschap 
der aangevoerde families kan besluiten, schijnt het 
vermoeden gerechtigd, dat Achalm, Cleve,^Gelre en 
het geslacht van aartsbisschop Anno gesproten is uit 
graaf Eilbertus, stichter van de abdij van Vassor, of 
een zijner broeders, Herbert, Gerard of Boso. 

Toen Gerard en Rutger Vlaanderen verlieten, waren 
zij zeker nog te jong om daar kinderen achter te laten. 
Wel bleven daar bloedverwanten, die niet in de ver- 
banning deelden. Zoo zullen dan Ayelbertus en zijne 
broeders geen afstammelingen van Gerard of Rutger 
geweest zijn. 




Digitized 



by Google 



WASSENBERG EN HEINSBERG. 
XV. 

Van Spaen stelde dat de beide Vlaamsche broeders 
Gerard en Rutger in het jaar 1020 geplaatst zijn, Gerard 
te Wassenberg en Rutger bij Kleef. Bn. Sloet meent 
het jaar 1021 te mogen aannemen op grond vaneene 
aanteekening van Albertus, dat Balderik 5 Juni 102 1 
te Zijflik, zijne bezitting, begraven werd. 

Beide gingen uit van de onderstelling, dat Rutger 
een deel der verbeurd verklaarde goederen en waar- 
digheden van Balderik ontving. Van Spaen meent, dat 
Gerard ook deelde in de nalatenschap van Mengosus. 

Intusschen was Balderik reeds in 1018 afgezet als 
graaf. Er is geen reden te vermoeden, dat zijne 
alodiale goederen werden verbeurd verklaard, zoodat 
deze, gelijk Sijflik, in zijn bezit bleven en voor zoover 
hij ze niet had weggeschonken, na zijn dood aan 
zijne familie gekomen zijn en Gerard en Rutger 
daarin gedeeld hebben, voor zooverre zij volgens recht 
erfgenamen waren. — Dit zal mogelijk wel kunnen 
worden aangetoond *). 

Balderiks zuster had ongetwijfeld ook eenig erfgoed 
in het land van Kleef. Van Spaen meende, dat zij, ge- 
durende de veten van Balderik, althans eenigen tijd 
te Kleef verblijf hield. Die plaatsbepaling schijnt wel 



Digitized 



by Google 



I05 

wat gewaagd. Evenwel de graven van Cleve hielden 
meest hun verblijf te Monterberg maar, daar zij den 
titel van graven van Cleve aannamen, zou men ver- 
moeden, dat Kleef hunne oudste alodiale bezitting 
geweest is. 

Waren zij dan afstammelingen van de zuster van 
Balderik? — Wij zagen, dat deze behoorde tot het 
huis van Loon, beter gezegd van Hespengou en dat 
zijn grootvader Balderik van zijn oudoom, bisschop 
Balderik van Utrecht, bezittingen ontving in den om- 
trek van Heinsbergen, 't welk onmiddelijk aan Wassen- 
berg grenst, en vermoedelijk al door Gerard bezeten 
werd vóór hij het burggraafschap Wassenberg verkreeg. 

Aan Rutger is mogelijk het moederlijk erfgoed, de 
curtis of het oppidum Kleef ten deele gevallen en met 
bezittingen door Balderik daar in de buurt nagelaten, 
vermeerderd. 

Hun vader zal in Vlaanderen gegoed geweest zijn ; 
mogelijk te Doornik of in de buurt. Daar zullen ook 
zijne zonen hun hoofdzetel gehad hebben. Wegens hunne 
betrekking op Loon, en op het geboorteland hunner 
moeder, kozen zij, bij uitzondering van hunne andere 
verwanten van vaders zijde, partij tegen den graaf 
van Vlaanderen en verloren daardoor hunne bezittingen 
in dat gewest. De Keizer heeft hen dat verlies vergoed. 

Mengosus is overleden in looi en geen van beide 
broeders schijnt dadelijk iets uit diens nalatenschap 
genoten te hebben. Trouwens hij had schoonzoons, 
op wier kinderen zijn allodiale goederen gekomen zijn, 
en zijne ambten gingen over op personen uit het huis 
zijns vaders. Wij meenen, dat zijn broeder Hugo ge- 



Digitized 



by Google 



io6 

weest is heer van Pont. Het kan dat diens dochter ge- 
huwd zijnde aan Udalricus of Wilringus, zoon van 
Otto van Lahngou graaf en heer van Zutphen, hem 
opvolgde in Gelre, gevolgd door zijn zoon Wichard 
van Molsberg, wiens dochter Gelre bracht aan Gerard III 
van Wassenberg. — In andere gedeelten van Hattuarië 
regeerde reeds ten tijde van Mengosus diens broeder 
EvERHARD IV van Nordgou en diens opvolgers Hugo II, 
EvERHARD V en EvERHARD VI, wicns dochter gehuwd 
was met Werner ; mogelijk zijn kleindochter Bertha 
met een Everhard. 

De bezittingen vanBALOERiK, bewesten den Rijn, werden 
ongetwijfeld tusschen de beide broeders (zijne neven) 
verdeeld. In de Betuwe behoorden de zoogenaamde 
ambtsdorpen tot Gelre, andere tot Cleve. Zoo was b. v. 
Huissen van ouds eene Kleefsche bezitting en boven is 
over Indoornik, Lakemond enz. gesproken. Men kan 
daarover van Spaen nazien, die ook aan een broeder- 
deeling denkt van goederen, later in het geslacht van 
Gelre en Cleve behoorende, en die in Teisterbant lagen. 
Van Spaen onderstelde , dat Gerard en Rutger op 
zekeren leeftijd waren in 1020. Zeker had hij daartoe 
aanleiding in de mededeeling van den Annalist , dat 
zij dappere verdedigers van hun vaderland geweest waren, 
maar door hunne vijanden verdreven. Hij vertaalde 
het woord «prosapia» door afstammelingen, zoodat zij 
reeds kinderen zouden gehad hebben vóór zij Vlaanderen 
verlieten, 't geen voor hen een. ouderdom doet onder- 
stellen, in 1020, van zeker bij de vijftig jaar, daar 
van die kinderen achter bleven , en het geboortejaar 
van den oudsten dezer broeders zal moeten gesteld 



Digitized 



by Google 



107 

worden hoogstens in 980. De jongste kan tien jaar 
jonger geweest zijn. 

Eene oorkonde van 8 September 1043, waarbij aarts- 
bisschop Herman II aan St. Severinus te Keulen schenkt 
bezittingen te Ostendung, Berenberg, Kessenich , 
tollen te Bonn en Zulpich en de kerk te Bardenberg, 
is onder anderen geteekend door Gerard en Rutger, 
die onmiddelijk op elkander volgen. Er is geen reden 
om daarbij aan andere personen te denken dan aac 
die, over welke hier sprake is. Gerard was dan wel 
de oudste en aanzienlijkste der broeders en beiden leefden 
nog. Gerard kan toen zestig jaar oud geweest zijn. 

Getuigen in eene oorkonde van 20 Augustus 10$ i, waar- 
bij Keizer Hendrik III giften van paltsgraaf Ehrenfried 
bevestigt, bestaande uit goederen te Leuvenich , Frei- 
mersdorf, Koenigsdorf, Damweiler, Glegen, Kindorf, 
Sintheren , Munsteden , Ickendorf en Schlenderhabn, 
zijn de volgende wereldlijke heeren: Heinricus Comes 
Palatinus, Sicco Comés, Gerhardus, Berengerus, Gos- 
winus, Stakri, Ruotgerus, Embrico, Eppo, Winholdus, 
Ansfridus, Heimo, Ansfridus. 

Daar onder deze een Gerard en een Gosewijn voor- 
komen, en Gerard I van Wassenberg ongetwijfeld twee 
zoons had van dien naam , kan men aannemen dat 
hij toen overleden was. 

Dezelfde heeren teekenden dien dag nog een be- 
vestigingsbrief van giften, aan Brouweiler gedaan, door 
Koningin Richiza. 

In een brief van 7 December 1054 vindt men eenige 
van die heeren terug, thans met titels. Na Hendrik, 
paltsgraaf, is getuige Ruotger, advokaat(van Brouweiler) 



Digitized 



by Google 



io8 

graaf Gerhard , Gozewinus, Starkerus, graaf Sicco , 
RuoDBERTus kapelaan , Embrico, Erpo. 

De beide brieven van 105 1 werden onderteekend in 
Insula Sancti Suitberti (Werden); om een of anderereden 
schijnen aldaar toen de mannelijke afstammelingen 
van Gerard en Rutger vereenigd te zijn geweest* 
Misschien om beleend te worden met de leenen van 
hunne overledene vaders, 

Gerard en Rutger voeren in den brief van 1043 
geen titels. Na 1049 komt verscheidene malen een 
Gerard in oorkonden voor , een van welke Gerard 
van Wassenberg kan geweest zijn. De naam Gerard 
was intusschen te algemeen, dan dat men zonder eenige 
nadere aanduiding uit het enkele voorkomen van dien 
naam zou mogen besluiten, dat de aangetroffen persoon 
Gerard van Wassenburg was. Twee Gerards zijn bekend. 
De eene was advokaat der kerk van Deuts, de andere 
graaf van Gulik. Men vindt beiden met hunne titels 
in een brief van 3 Mei 10 19 en, zonder titels, eenvoudig 
onder de getuigen : de twee Gerards «Duobus Gerardis» 
in eene oorkonde van 8 Mei van dat jaar. De titel 
werd niet altijd uitgedrukt; gemis van het toevoegsel 
graaf is derhalve geen dadelijk bewijs, dat Gerard en 
Rutger in 1043 de grafelijke waardigheid Iniet bezaten. 

Dezelfde oorkonde, die door Gerard en Rutger 
geteekend werd, is ook geteekend, en wel het laatst, 
door Arnold, die toen graaf was in Einrichgbn. Ook 
Franco en Cuno, die in deze oorkonde de beide broeders 
onmiddelijk voorafgaan, en broeders schijnen geweest 
te zijn,^komen in den brief van 1041 voor als graven. 
Het schijnt , dat in dien tijd de grafelijke titel soms 



Digitized 



by Google 



Ï09 

alleen werd uitgedrukt bij den naam van personen, 
in wier graafschap het goed of de goederen lagen 
^vaarvan in den brief melding wordt gemaakt, met 
uitzondering der paltsgraven, wier titel altijd wordt 
vermeld. 

De echtgenoot van Gerard I van Wassenberg is 
onbekend. Er is reden te onderstellen, dat Gehard gehuwd 
is geweest met eene dochter van Diederik hertog van 
Bar en Lotharingen , die van 984 tot 1026 regeerde. 
Die Diederik was een zoon van hertog Frederik I en 
liad tot broeders Albert, bisschop van Metz, die in 
1003 stierf en Gozelin graaf van Ardenne. Wij hebben 
vroeger (bladz. 72) over deze familie gesproken. Het 
is mogelijk, dat Gerard door die vrouw in het bezit 
gekomen is van eenige goederen, die vroeger aan 
Mengosus behoord hadden, want zij stamde af van dien 
heer. 

Gelijk bekend is, was het in dien tijd gebruikelijk 
de kinderen te noemen naar hunne ouders, grootouders , 
ooms en tantes. Gerards zoon Gerard zal zoo genoemd 
zijn naar zijn vader of grootvader. Deze zoon Gerard 
is zijn vader te Wassenberg, als burggraaf, opgevolgd. 
Zeker had hij een andere, die Gozewijn heette ; deze 
was heer van Heinsbergen en grootvader van dien 
Gozewijn, die in 11 04 door den Annalist van Klooster rade 
vermeld wordt als achterkleinzoon van Gerard, die 
uit Vlaanderen naar Wassenberg werd overgeplaatst. 

Gelijk later blijken zal , leefde de eerste Gozewijn 
nog in 1085. Zijn zoon Gozewijn II van Heinsbergen 
zal gestorven zijn omstreeks het jaar iioo. Deze had 
tot echtgenoot Oda, dochter van graaf Siegfried van 



Digitized 



by Google 



rio 

Walbeek, die hem overleefde en eene collegiale kerk 
te Heinsberg stichtte met toestemming van hare beide 
zoons : Gozewijn , die zijn vader opvolgde en Gerard 
gehuwd met Ermgardis gravin van Ploceke, i^^eduwe 
van Udo II, markgraaf van Staden. Zij overleed in i ioq. 
Over de verdere heeren van Heinsberg uit dit geslacht 
zie men het artikel van den abbé Ernst in VArt de 
vérijier les dates, die Gozewijn I en II voor één jjersooc 
houdt, hetgeen echter de jaren niet toelaten. 

Berenger, die in de oorkonden van 105 1 tusschen 
Gerard en Gozewijn in staat, zal men voor den tweeden 
zoon van Gerard I mogen houden, maar deze was 
waarschijnlijk in 11 54 reeds overleden. 

Gozewijn zal genoemd zijn naar zijn oom Gozelln 
graaf van Ardenne. Berenger mogehjk naar den vader 
van Gerards moeder of een ander bloedverwant. 

Een kleinzoon van Gerard I van Wassenberg heette 
D1EDERIK, en die naam was vervolgens zeer in gebruik 
in het eerste gravenhuis van Cleve. Ook in het huis 
der graven van Meurs komt hij dikwijls voor. 

De annalist van Kloosterrade vermeldt, dat Rutger bij 
of te Kleef geplaatst werd. Misschien verkreeg hij na 
de afzetting van Balderik het graafschap welke deze 
op den linker oever van den Rijn bezeten had, doch 
dit is niet zeker. Hij toekende, gelijk gezegd is, in 
1043 met zijn broeder Gerard. In 105 1 was hij, even 
als deze, overleden. In de brieven van dat jaar toch, 
komen voor Starkerus, Rutger en Embrico ,. die men 
voor zoons zal moeten houden van Rutger I. 

Wie zijn- vrouw was, kan slechts vermoed worden. 
Zijn zoon Rutger was advokaat van Brouweiler in 



Digitized 



by Google 



III 

I0 54- St ARKERUS mües van Richiza, dochter van palts- 
graaf Ezo. In een brief van 25 Juli 1057 wordt hij 
genoemd «Starkhare quidam vir ingenuus et comes 
miles ipsius Regine." Hij stond toen af het slot Salfeld, 
in Saksen Meiningen gelegen, met wat daarbij be- 
hoorde, 't welk hij van Richiza in leen had, en dat bij 
die gelegenheid aan de Kerk van Keulen kwam. Onder 
de getuigen komen voor Ruotger, wel de broeder van 
Starkerus en een Berenger , waarschijnlijk zijn neef. 
Mogelijk was Rutger gehuwd met eene dochter van 
paltsgraaf Hendrik, neef van Richiza. 

Valkenburg behoorde in 1075 aan St. Maria ad 
Gradus te Keulen. Vroeger behoorde het tot de goederen 
door Ermentrudis , nicht van Keizer Hendrik III , aan 
aartsbisschop Anno van Keulen geschonken. Toen lag 
Epen in Maasland (Maasgou) in het graafschap van 
Frederik van Neder Lotharingen over wiens verwant- 
schap met Mengosus vroeger gesproken is. Het is 
mogelijk datRuTGER burggraaf geweest is van Valkenburg. 
Rutger II, zoon van Rutger I, komt voor in 105 1 
en 1054. Het jaar van zijn dood is onbekend en hij 
schijnt geen kinderen te hebben nagelaten. 

Embrico , een derde zoon van Rutger I , was 
geestelijke. 

Sicco, die ook de brieven van 105 1 teekende, was 
graaf van Bonnergou en behoorde niet tot dit geslacht. 
Gerard II van Wassenberg, 'zoon van Gerard I, 
komt voor als graaf in 105 1. Hij schijnt reeds lang 
voor 1085 overleden te zijn. In dat jaar wordt zijn 
zoon Gerard als burggraaf vermeld met zijn oom 
GozEwijN, burggraaf van Heinsberg. In 1054 heet hij 



DLgitized 



by Google 



11^ 

graaf en kan toen, geboren zijnde omstreeks het jaar 
loio, vier en veertig jaar geweest zijn. 

Zonder twijfel is hij de Gerard graaf in Teisterbant, 
van w^ien 23 Maart 1053 wordt gewag gemaakt, want 
men vindt in die streek zijne afstammelingen in die 
waardigheid. De plaats Ratinchem, in de zooeven be- 
doelde oorkonde vermeld, is mogelijk Renkum,want 
die behoorde tot de bezittingen van bisschop Meinwerk, 
zoon van Adela bij haar eersten man Imad. 't Kan 
echter ook zijn, Redichem bij Kuilenburg en in dat 
geval is het woord Teisterbant bijgevoegd , om het 
te onderscheiden van Redichem in de Veluwe. 

Hoe Gerard in betrekking gekomen is tot de Utrecht- 
sche kerk is onzeker, maar buiten twijfel niet door 
opvolging van Balderik, want in diens tijd was een 
graaf Unroch graaf van Teisterbant. 

Evenwel lagen daarin verschillende graafschappen. 
Zoo hij graaf van Veluwe geweest is , zou hij dat be- 
zeten hebben als onderleen van den hertog van Bra- 
bant, die het van den Utrechtschen bisschop had. 

In 1026 behoorde Teisterbant reeds aan de Utrecht- 
sche kerk. Gerard zal aldaar graaf geworden zijn tus- 
schen 105 1 en 1053, alzoo in den tijd toen Bernolfus 
bisschop was. In 1054 werd Willem van Pont bisschop; 
door hem kan Gerard alzoo niet zijn aangesteld. 

Den leeftijd van Gerard I van Wassenberg en zijn 
broeder Rutger in aanmerking nemende, die in 1051 
beiden overleden wraren en omstreeks het jaar 980 
moeten geboren zijn, is Gerard II geboren omtrent 
het jaar loio. Hij was, volgens den gewonen loop der 
zaken, in 1040 gehuwd. 



Digitized 



by Google 



113 

Zijne vrouw was ongetwijfeld zeer nauw verwant 
aan Wernher van Lahngou. Hij was een tijdgenoot 
^an bisschop Willem van Utrecht (1054 tot 1095) 
zoodat hij wel niet gehuwd was aan een broeders dochter 
v^an dezen: ook hebben zijne kinderen meer betrek- 
king gehad op Hameland dan op Gelre. 

Wernher of Weselo, leefde nog in 1034. Hij was 
kleinzoon van Otto van Lahngou en Zutphen en 
g^aaf o. a. over Lijmers en een deel der Veluwe. 
Een Wernher, volgens J. M. Kremer, zoon van den 
voorgenoemden (graaf in Lijmers, tusschen de jaren 
1047 en 1056), sneuvelde in den boerenoorlog bij 
Engelsheim in 1066. 

De echtgenooten van deze Wernhers zijn onbekend ; 
zoo ook of zij dochters hebben nagelaten. Vroeger 
hebben wij gesteld (zie blz. 80) dat Wernher I gehuwd 
is geweest met de dochter van Everhard en Bertha, 
met de zuster van Berenger, bisschop van Toul, en 
zijne dochter Bertha met een anderen Everhard , en 
dat een der dochters van dezen huwde met Diederik van 
Kleef. In dit geval is het wel onmogelijk dat Gerard II 
gehuwd is geweest met eene dochter van Wernher II. 
Dit laatste schijnt ons echter het waarschijnlijkste, 
omdat Gelre en Cleve de goederen verkregen hebben , 
die de beide Wernhers in Nederland bezeten hadden. 
Wij moeten derhalve ook nu weder betuigen, niet in 
staat te zijn den sluier volkomen op te lichten, die 
over de twee Everhards, beiden gehuwd aan twee 
Berthas, ligt. Wij vinden geen spoor om ons terecht 
te brengen in de verwantschap der beide Everhards noch 
der beide Berthas, noch om te verklaren hoe Wernher 

8 

Digitized by LjOOQIC 



114 

opvolger geweest is van den oudsten Everhard in 
Nordgou. 

In verband met de aanteekening in het kerkboek 
te Meer had Gerard II van Wassenberg drie zoons: 
DiEDERiK graaf, Alard en Gerard. 

Van Berchem zegt, v^ ei , dat Diederik graaf was van 
Meer, doch dat heeft zeer zeker niet in het misboek 
gestaan, maar is, even als wat hij vertelt over de 
graven van Zelhem en de betrekking van Balderik 
tot de graven van Zutphen, geen gelukkig eigen toe- 
voegsel. Wel hebben er heeren van Mehr bestaan; 
die hadden niets met Sijflik te maken, wel met de 
abdij van Mehr bij Neus. De graven van Cleve waren 
voogden van Sijflik. Van Spaen geeft eenvoudig wat 
het misboek gaf. maar veranderde later de woorden 
na Diederik «comes einse fratres» in «comes ejusque 
fratres». De vraag blijft open of die veranderingeene 
verbetering geweest is. 

Diederik was voogd van Sijflik, niet door keuze 
maar door afstamming uit hetzelfde geslacht als de 
stichter van dat klooster, Balderik. Dit is te verklaren 
door aan te nemen, dat zijn grootvader geweest is 
een zoon van Balderiks zuster. Zonder twijfel stammen 
van dezen Diederik de graven van CJeve en er kan 
alzoo slechts twijfel bestaan of zijn grootvader geweest 
is Gerard of Rutger. 

De naam Rutger komt nooit voor onder de eerste be- 
wezen graven van Cleve, terwijl dien van Diederik her- 
innert aan hertog Diederik even als Alart aan Albert, 
broeder van dien Diederik, bisschop van Mets en Gerard 
aan Gerard van Wassenberg. 



Digitized 



by Google 



Il") 

De graven van Cleve hadden later, zoowel als die 
van Gelre, betrekking op Teisterbant. Aangetoond is 
de betrekking op dat gewest van Gerard II van 
Wassenberg. Van Gehard I noch van diens broeder 
RuTGER blijkt iets van dien aard. Ook in de Lijmers 
en- Veluwe waren beide huizen gegoed, en dit kon niet 
zijn tenzij door deeling van eene erfenis nagelaten 
door Wernher, die daar niet alleen graaf was, maar 
ook aanzienlijke allodia bezat. 

Wat RuTGER I in Kleefland bezeten had , zal gekomen 
zijn aan Diederik , oudsten zoon van Gerard II van 
Wassenberg, die daardoor reeds vóór zijne broeders 
en het sterven van zijn vader graaf was. — Dat 
Diederik alleen den titel draagt van graaf, bewijst dat 
de aanteekening gemaakt is vóór den dood van Gerard II. 

Van Alard, den tweeden zoon van Gerard II, is niets 
bekend. Vermoedelijk is hij voor zijn vader overleden. 

Gelijk gezegd is sneuvelde Graaf Wernher in 1066 
en in 1067 is Gerard graaf in de Hetter, in 1083 
graaf in Hameland en mogelijk in 1085 graaf vaneen 
gedeelte der Veluwe. Diederik was in Mei 1076 ook 
graaf over een gedeelte der Veluwe. Beide broeders 
moeten alzoo in 1067 reeds meer dan 16 jaar oud 
geweest zijn. en hunne moeder was toen waarschijnlijk 
ook reeds overleden. 

Boven is de mogelijkheid gesteld, dat Valkenburg 
na den dood van Rutger II aan Gozewijn van Heins- 
berg gekomen is. Alard erfde misschien Kessel. Over 
het land van Kessel was Hendrik, zoon van paltzgraaf 
Ezo, g]raaf geweest. Door huwelijk van Rutger I met 
eeue dochter van Hendrik van Kessel gekomen zijn 



Digitized 



by Google 



ii6 

aan Rutger II en vervolgens na den dood van Alard 
aan Hendrik , zoon van Gerard III van Wassenberg. 
De aanteekening in het missale te Meer is in elk geval 
gemaakt vóór het jaar 1067. 

Uit de korte aanteekening van het kerkboek vaa 
Meer hebben wij veel geleerd , omdat daardoor de 
weg gewezen is tot verklaring van wat vroeger on- 
verklaarbaar was. — Toch weten wij in betrekking tot 
dit bijzonder geval, maar in het algemeen ook, dat men 
voorzichtig behoort te zijn bij het gebruik van oude 
schrijvers en niet eigen gedachten en meeningen ver- 
mengen met wat zij leverden. 

DiEDERiKS vrouw was eene dochter van Bertha en 
daar men zijn zoon en opvolger aantreft met den titel 
van graaf van Cleve in 1093 moet door dat huwelijk 
die grafelijkheid in zijn huis gebracht zijn. Wij stelden 
dan ook dat zijne moeder was eene kleindochter van 
EvERHARD en Bertha, die voorkomen in den brief, die 
door ons gebracht is op 1009 of loio. Hij is over- 
leden voor het jaar 1093. 

Men vindt vermeld, dat een Diederik van Cleve in 
1095 het kruis aannam en met Godfried van Bouillon 
naar het Heilige land trok. Godfried van Bouillon 
ging, volgens Michaud, daarheen in 1096. Wanneer een 
Diederik, graaf van Cleve, deelnam aan dien tocht , is 
het geweest de tweede: want om geen verandering 
te brengen in de gewone volgreeks , thans in de 
geschiedenissen gebruikt, zullen wij dezen Diederik den 
eerste noemen hoewel hij waarschijnlijk nooit den titel 
van graaf van Cleve gedragen heeft. 

Van Gerard III van Wassenberg is gebleken , dat 



Digitized 



by Google 



117 

hij in 1067 graaf was in de Hetter, en zijn broeder 
DiEDERiK in 1076 in een gedeelte der Veluwe, 't welk 
ongeveer overeenkomt met de latere ambten van 
Veluwzoom en Over-Veluwe, welk graafschap vroeger 
aan Balderik ep later aan Wernher behoord had. Dat 
graafschap schijnt later door den graaf van Gelre inge- 
ruild tegen de Hetter. Mogelijk ten tijde van Gerard I 
graaf van Gelre, die in 1 108 advokaat was van St. Marie 
te Utrecht. 

Van Spaen vermoedt, dat Gerard III van Wassen- 
berg en Gerard I van Gelre één persoon geweest is. 
In 1085 komt Gerard, burggraaf van Wassen berg voor, 
die met zijn oom Gozewijn, burggraaf van Heinsberg*) 
" bevel ontving van den Keizer om Abt Luipo in het 
bezit te stellen der abdij van St. Truien. Van Spaen 
achtte dat Gerard toen nog in zijne bloeiende jaren was. 

Den gewonen loop van zaken volgende, nemen wij 
aan , dat hij toen 45 jaren oud zal geweest zijn. In 
1096 zegelt een Gerard, graaf van Gelre, met zijn broeder 
Hendrik. Die graaf was alzoo toen nog niet gehuwd , 
want zijn broeder stond hem bij. Hij had nog geen 
nader erfgenaam of meer waarschijnlijken opvolger. 
Volgens berekening was hij toen nog geen dertig jaar 
oud , zoodat wel reden is aan te nemen , dat Gerard III 
zijn vader te Wassenberg, ongeveer in het jaar 1066, 
is opgevolgd en dat hij in 1096 overleden was. 

Gerard van Gelre verschijnt het eerst in een brief 
van 1094 •). Wij moeten dezen Gerard den eerste 
van Gelre noemen , zegt van Spaen. Hij was , even als 
DiEDERiK II graaf van Cleve, Henricus graaf van 
Kriekenbeek en Gozewinus van Heinsberg en Valken- 



Digitized 



by Google 



ii8 

burg, achterkleinzoon van Gerard I burggraaf van 
Wassenberg. 

Hendrik van Kriekenbeek was de Hendrik, broeder van 
Gerard I van Gelre, met wien hij in 1096 teekende, 
en de tweede zoon van Gerard III van Wassenberg. Wij 
kennen geen andere kinderen van dezen. Buiten twijfel 
is Wassenberg aan Gelre gekomen door een huwelijk 
van Gerard III met eene erfdochter. Boven is daarover 
uitvoerig gehandeld en de mogelijkheid aangetoond, 
dat , zonder aan de waarschijnlijkheid te kort te doen, 
de opgaven der genealogen van Gelre, de genealogie van 
het huis van Nassau met die van Gelre in verband te 
brengen zijn , waarbij rekenschap is gehouden met de 
omstandigheid , dat de genealogen de geschiedenis der 
Zutphensche en Geldersche graven hebben verward. 
De echtgenoot van Gerard III zou dan naar onze 
meening geweest zijn eene dochter van Wichard van 
Molsberg, bij de genealogen Wichard van Pont, die 
een broeder was van Arnold van Arnstein en , 
volgens Utrechtsche geschiedschrijvers, ook van Willem 
van Pont, bisschop van Utrecht. De vader dier heeren 
zal geweest zijn Ulrich heer van Pont , zoon van den 
in 966 verbannen en na 990 herstelden Otto van 
Lahngou, hier te lande graaf en heer van Zutphen. 

De verwantschap tusschen Zutphen en Molsberg 
blijkt duidelijk, daar, terwijl Ottos kleinzoon Wernher 
zoon van Gerlach de beneficia in eigendom verkreeg, 
die BALDERik vroeger beoosten den Rijn bezeten had 
en diens graafschappen aldaar, Anselmus van Molsberg 
tusschen de jaren 1049 en 1056 van Keizer Hendrik III 
het praedium Zevenaar in Hameland, in het graafschap 



Digitized 



by Google 



119 

van Wernher, bekwam, en dat wel wegens het dienstjuk 
dat hij getorscht had. Anselmus was een zoon van 
WicHARD van Molsberg en Pont. Wij weten niet waarin 
zijn vroegere zware taak bestond, maar zijne zuster 
schijnt gehuwd geweest aan Gerard III van Wassenberg. 

Over de verdere geschiedenissen van het huis van 
Gelre raadplege men van Spaen , wiens werk algemeen 
verbreid en als bijna onverbeterlijk bekendis. Hier en 
daar kan wat bijgevoegd worden , veranderd bijna niets. 

Eén bijzonderheid willen wij hier, en dat ter af- 
wisseling toevoegen, nl. den bijnaam dien Gerard I van 
Gelre gedragen heeft , want hij is karakteristiek. Rudolf 
abt van St. Truien beklaagt zich over hem, omdat 
hij de tienden van Baardwijk, welke plaats in de 
graafschap van Gerard gelegen was, bemachtigd 
had. De abdij van St. Truien maakte daar aanspraak 
op en werd door bemiddeling van den Hollandschen 
graaf Floris den Vette , die als kerkvoogd de partij van 
St. Truien tegen Gerard en den Bisschop van Utrecht 
opnam, in het bezit hersteld. Blijkbaar schimpend 
noemt de abt den bijnaam van Gerard «flaminius» dat 
is Papenknecht. 

Op een ander punt kunnen wij niet met van Spaen 
instemmen. Hij meent dat Hendrik, zoon van Gerard II 
gehuwd geweest is met eene gravin van Arnstein , 
terwijl in de Vita Lodevici de oArnstein gezegd wordt 
dat de zevende dochter van Lodewijk van Arnstein 
gehuwd was met een graaf van Zutphen. Nu is 
Hendrik wel geweest graaf van Gelre en Zutphen , maar 
hij was te jong om de bedoelde graaf te zijn, daar niet 
Lodewijk II, maar Lodewijk I van Arnstein vader dier 



Digitized 



by Google 



lao 



vrouw geweest is. De graaf van Zutphen met wictt 
zij gehuwd was geweest , is Otto zoon van Godescalk 
en Adelheid, en Ottos gemalin heette Judith niet 
Agnes. Lodewijk II had slechts één zoon Lodewijk en 
ééne dochter die Adelheid heette, naar hare moeder 
Adelheid van Odenkerken *). 

Doch wij willen ons bestek niet overschrijden. De 
feilen en leemten, die men bij een zoo geleerd, zoo 
nauwkeurig en zoo scherpzinnig geschiedvorscher als 
VAN Spaen vindt, zullen niet strekken om hem in 
achting te doen dalen , maar wel , naar wij hopen , 
om het gebrekkige , dat in onzen arbeid zeer zeker ook 
zal gevonden worden , te verschoonen. Dit meenen 
wij te mogen vertrouwen , dat ook wij ten minste een 
paar schreden nader tot de waarheid geraakt zijn. 




Digitized 



by Google 



^^^m^m^m^^m^m^mÊ 



HET KLEEFSCHE GRAVENHUIS. 
XVII. 

Om geen verandering in de aangenomen cijfers der 
Kleefsche Diederikken te brengen, beginnen wij de 
lijst dier graven met Diederik, zoon van Gerard II 
van Wassenberg, dien wij aizoo noemen Diederik I 
graaf van Cleve. 

Zijne moeder heette Bertha. De naam zijner gemalin 
is onbekend. Bij haar had hij Diederik die volgt, en 
waarschijnlijk eene dochter, gehuwd aan Adolf graaf 
van Berg. 

Op Diederik I volgt bij Ernst Everhard, die zoon 
genaamd wordt van Diederik I. De verkeerde plaatsing 
van een brief van 1009 of loio op 1074, welke boven 
is aangetoond, is de onmiddelijke oorzaak dier fout. 

Diederik II begon te regeeren omstreeks het jaar 
1093. Hij bleef graaf tot 11 17. 

In 1093 komt Diederik graaf van Cleve het eerst 
voor in een gift ten voordeele van Werden, als voogd 
van Adolf, zoon van Adolf van Berg, zoodat eene zuster 
van Diederik moeder zal geweest zijn van den nog 
onmondigen kerkvoogd. In 1096 zou hij met Godfried 
van Bouillon naar het Heilige Graf getogen zijn en van 
daar teruggekeerd , de partij gekozen hebben van 



Digitized 



by Google 



122 

Keizer Hendrik IV tegen diens oproerigen zoon. Nadat 
de Keizer echter door den Paus in den ban gedaan 
was, verliet hij de zaak van den ongelukkigen 
vader. 

In II 04 wordt hij vermeld door den Annalist van 
Kloosterrade. 

DiEDERiKS gemalin was eene dochter van Anselmus 
van Molsberg (Zevenaar) *), bij welke hij twee zoons 
had , Arnold en Everhard. Van E verhard wordt niets 
bijzonders vermeld. Die naam is echter der aandacht 
waardig omdat, gelijk wij zagen, de laatste graaf 
van Cleve in het huis van Hattuarie-Nordgou Everhard 
heette. Mogelijk stammen van dezen Diederik de graven 
van Meurs. 

Arnold I teekende voor het eerst in 1117, zonder 
bijvoeging van den titel graaf, als Arnoldus de Cleve , 
maar tusschen Frederik graaf van Arnsberg en Hendrik 
graaf van Zutphen. Hij is advokaat der door aarts- 
bisschop Frederik I van Keulen gestichte Siegburger 
cel te Fursterberg bij Xanten *) en heet altijd comes de 
Cleve. Hij stichtte het klooster te Bedbur *). 

Zijn vrouw heette Ida. Zij was volgens Butkens eene 
dochter van Godfried met den Baard. Hij stierf 18 
Februari 11 34 *) ; zij 25 JuU van een onbekend jaar. 
Van hen zijn kinderen bekend Arnoldus en Diederik. 
Mogelijk hadden zij nog een zoon Lodewijk. Dochters 
worden niet vermeld. 

Arnold II, Juvenis, comes in 11 34 *), teekent tot 
I April 1147. 

Lodewijk graaf van Cleve in 11 58 «). 

Diederik III graaf van Cleve zou in 11 50 deelgenomen 



Digitized 



by Google 



123 

hebben aan de bisschopskeus te Utrecht. In 1162 
worden zijne ouders genoemd Arnold en Ida. 

Zijne vrouw was Aleidis, dochter van graaf 
Gebehard van Saucebag of Sauceburg '). Hij teekent 
voor het laatst 22 Februari 11 66. Men kent van hem 
drie zoons en een dochter, Hendrik, Diederik en Arnold 
en Aleid, gehuwd aan Diederik VII graaf van Holland. 

De drie zoons komen achtereenvolgens voor als 
graven. 

Henricus comes de Cleve teekent 14 Augustus 11 67. 
Hij was graaf tot 11 68 of 11 69. 

Diederik IV. De onbekende schrijver « De Rebus 
UltrajectensisT» noemt hem tusschen 1178 en 1188. In 
II 88 vindt men Theodericus comes de Cleve, zijne 
moeder Aleidis , zijn broeder Arnold. Hij teekent voor 
het eerst in Mei 11 69, voor het laatst in 1190. 

Hij voerde een leeuw in zijn wapen. 

Volgens de Egmondsche kroniek huwde Diederik 
in II 88 Margaretha, dochter van Floris II graaf van 
Holland. Na haar dood heeft hij , volgens Tesschen- 
macher in huwelijk gehad Adelheid van Brabant. 

Daar Diederik in 11 88, met toestemming van zijn 
broeder Arnold , een gift deed , had hij in dat jaar 
nog geen zoon , was waarschijnlijk zelfs niet gehuwd , 
en heeft nooit kinderen , althans geen wettigen zoon 
gehad, aangezien zijn broeder Arnold hem opvolgde. 

De opgaaf van Tesschenmacher berust bepaald op 
eene vergissing. Een giftbriefvan 1188, waarin Diederik 
met zijne moeder, zijne echtgenoot Adelheid van 
Brabant en zijn broeder Arnold eene gift doet, is 
nergens te vinden. De door Tesschenmacher bedoelde 



Digitized 



by Google 



124 

brief is ongetwijfeld geene andere dan de bovenver- 
melde, waarin Diederik voorkomt met zijne moeder 
Aleidis en zijn broeder Arnold. 

Diederik IV, zegt Ernst, vertrok in 1189 naar het 
Heilige land. «Men weet niet of hij ooit terugkeerde». 
In II 88 was hij nog te Kleef en in 1191 laat hij met 
zijn broeder Arnold zekere Hildegaard en hare af- 
stammelingen over aan de stiftskerk te Rees. Toen 
was alzoo die broeder nog vermoedelijke opvolger. 

Arnold III zal 12 Juli 11 94 in het bezit van het 
graafschap geweest zijn. Hij heet 12 Juli 1198 Arnoldus 
comes de Cleve. Ernst noemt hem zoon van den 
voorgaanden Diederik, hoewel hij ongetwijfeld diens 
broeder was , zooals hij dan ook op de overigens slor- 
dige lijsten van Fahne als zoodanig gesteld is. Zijne 
vrouw heet bij Ernst eene dochter van Hendrik van 
Limburg. Hij had althans één zoon, die hem op- 
volgde, 

Diederik V. Theodericus puer in 1202. Voogd over 
hem is Diederik graaf van Holland, die gehuwd was met 
zijne tante Aleid. Van vaderszijde schijnt hij alzoo geen 
nader bloedverwant gehad te hebben. In 1206 stond 
Diederik onder voogdij *). In 1208 heet hij Tirricus 
comes de Clive. Zoodat hij in dat jaar of in 1207 
mondig geworden is en alzoo moet geboren zijn in 
1190 of 1191. In 1203 was hij reeds getuige, maar 
als puer de Clive. Hij was toen 12 jaar oud. Voor 1218 
was hij reeds gehuwd, want hij had in 1234 een zoon 
die reeds te velde kon trekken •). 

Met zijn eerstgeborene schonk hij 25 April 124a aan 
Kleef stadsrechten en stelt hare kooplieden vrij van 



Digitized 



by Google 



125 

tollen te Orsoy, Smithuizen, Huissen en Nijmegen, 
sluit 2 Augustus 1242 eene overeenkomst met zijn zoon 
Theodericus en Otto graaf van Gelre over den tol te 
Orsoy ; teekent met zijn zoon Theodericus 26 December 
1248, stierf tusschen 13 Mei en 27 Juli 1260. 

DiEDERiK V heeft een zeer bewogen leven gehad. Toen 
hij nog een kind was trachtte de graaf van Gelre hem 
van vaderlijke erfgoederen te berooven. Later had hij 
veten met Engelbert aartsbisschop van Keulen , streed 
voor Otto bisschop van Utrecht tegen de Drentenaren, 
trok vervolgens ten oorlog tegen de Stadingers en 
hielp graaf Willem van Holland tegen Margaretha van 
Vlaanderen. 

DiEDERiK is tweemaal gehuwd geweest. Eerst met 
Hadewich ^^) vrouw van Dinslaken en Wezel. Hij had 
bij haar drie zoons, die allen Diederik heetten, en 
twee dochters : Jutte gehuwd aan Waleram van Lim- 
burg en Margaretha echtgenoot van Otto II van 
Gelre "\ Bij eene andere vrouw had hij een zoon 
EvERHARD , die in eenige oorkonden voorkomt met den 
eenvoudigen titel van miles. 

DiEDERiKS oudste zoon (Primogenitus) was heer van 
Dinslaken, verleende in September 124 1 , met toestem- 
ming des Konings , aan Wezel stedelijke rechten en vrij- 
heden, en met zijn vader 25 April 1242 aan Kleef. Hij 
stierf vóór zijn vader omstreeks het jaar 1245. Zijne 
eenige dochter Elisabeth was gehuwd aan Gerlach 
van Isenburg , zooals blijkt uit eene oorkonde van 
14 December 1255. Gerlachs dochter Margaretha, 
erfgenaam harer moeder, was gehuwd aan Diederik, 
heer van Meurs 11 Augustus 1292. 



Digitized 



by Google 



120 

De tweede Diederik volgde zijn vader als graaf van 
Cleve. Over hem wordt terstond gesproken. 

De derde Diederik , bijgenaamd Loef junior natus , 
graaf in Sarbrück, belooft 29 November 1255 den 
burgers van Wezel , dat hij hunne privilegiën , voor- 
namelijk het recht schepenen aan en af te stellen , zal 
handhaven en hen tegen hun wil niet met bouwwerken 
bezwaren. Hij bezat 26 Augustus 1263 de advocatie 
van Meer en Weze als deel zijner erfenis. Den 22 
November 1266 ontving hij en zijne erven een rente 
van 80 pond Vlaamsch jaarlijksch uit den tol te Damme 
van Guy van Vlaanderen. 

Aan zijn zoon Diederik en diens erven stond hij 13 
Mei 1275 de Heshausenwarth af, welke een leen was 
van Elten. Aan het kasteel van Heshuizen bij El ten 
was later het maarschalksambt van het stift verbonden ; 
22 Juli 1300 was hij dood en verstond zijn neef Die- 
derik van Cleve zich met Gerlach van Dollendorf en 
diens gemalin Richarda , dochter van Dirk Loef , over 
de nalatenschap van haar vader. Haar broeder Diederik 
was toen kinderloos overleden , want haar ooms zoon, 
graaf Diederik , doet afstand van zijn deel in de hon- 
derd pond rente, die de graaf van Vlaanderen aan 
zijn oom schuldig was. Hij was alzoo mede erfgenaam 
van haar vader bij gebreke aan mannelijk oir. 

Diederik VI senior , zoon van Diederik V komt voor 
6 Juni 1247 met zijne broeders Diederik en Everhard. 
Zijn vader was 13 Mei 1260 nog in leven maar 26 
Juni was hij dood en Diederik VI graaf. Hij stierf 
vóór 13 November 1275. 

In het begin van zijne regeering had hij oorlog met 



Digitized 



by Google 



127 

den graaf van Gelre, later verleende hij bijstand aan 
Floris V van Holland en Engelbert van Valkenburg, 
aartsbisschop van Keulen "). 

Bij zijne vrouw Aleidis van Heinsberg had hij 
drie zoons : Theodericus , primogenitus, die hem op- 
volgde , DiEDERiK proost van Xanten , heer van Ker- 
venheim en Diederik Loef graaf van Hulkenrode, heer 
van Tonnen burg. Butkens en Ernst noemen twee doch- 
ters Ermgardis, gehuwd aan Willem I graaf van Berg 
en Mathildis , echtgenoot van Hendrik het Kind , land- 
graaf van Hessen. 

Diederik Loef , zoon van Diederik VI van Cleve , is 
geweest graaf van Hulkenrode, heer van Tonnenburg. Hij 
teekent 8 Juli 1293 zonder titel, als broeder van den 
graaf van Cleve. Hij verkoopt 22 October 1298 de 
heerlijkheid Hulchrath aan zijn broeder. Zijne vrouw 
heet Elisabeth ; 29 Juni 1299 ontvangt hij subsidie 
van aartsbisschop Wichbold van Keulen, waarvoor hij 
dezen bijstand belooft tegen ieder, behalve tegen graaf 
Reinoud van Gelre. Van Berthold van Oye kocht hij 
een bosch bij Nutterden in 1 300 , dat hij aan zijn 
camerarius Herman van Dornik in leen geeft. Op 28 
Juli 1303 verkochten hij en zijne gemalin Lijsa aan 
den aartsbisschop van Keulen de gerichten, heerlijk- 
heid en voogdijen te Bornheim, Bonn en Aarweiler, 
hun bosch te Blamerdorf en elders , de sloten Tomberg 
en Saffenberg en het patronaat en de inkomsten te 
Metternich en Weiier met recht van terugkoop binnen 
zes jaren. 

Den 1 1 Mei 1 3 11 geeft Diederik van Cleve , graaf van 
Hulchrath, aan zijn broeder Siegfried eene rente van 



Digitized 



by Google 



128 

200 pond uit zijne inkomsten uit de tallen te Huissen 
en Nijmegen ais erfdeel. Deze som zal vermeerderd 
worden of verminderd naarmate Siegfried minder of 
meer trok uit zijne kerkelijke beneficiën. 

Dirk Loef, gehuwd met Elisabeth, was derhalve toen 
overleden. 

Den i6 Juni 131 3 draagt Diederik van Cleve, graaf 
van Hulchrath , aan aartsbisschop Hendrik II van 
Keulen het slot Oedt op als leen : hij belooft Kempen 
te zullen verdedigen en Hulchrath, als hij het vcr- 
koopen wil , eerst den bisschop aan te bieden. Die 
verkoop had plaats 12 Juni 1314. De aartsbisschop 
kocht van den edelen heer Diederik Loef van Cleve 
het slot en het graafschap Hulchrath voor 30.000 mark 
en stelt Kempen met het district ten pand voor de 
betaling. De betaling was echter 15 December 1321 
nog niet geschied, ook nog niet geheel 26 April 1322. 
Bij stad en land van Kempen ontving Dirk Loef nog 
te pand , burg en stad Aspel , Rees en Xanten. 

Na verkoop van Hulchrath voerde^ Diederik den titel 
van heer van Oedt. Hij was 10 November 1322 over- 
leden en zijne dochter Elisabeth gehuwd aan Godert 
van Gulick , heer van Bergheim. Godert verzoende zich 
met de stad Keulen, waarmede Diederik gedurenden 
den laatsten tijd in vete geleefd had , werd voor levens- 
lang , als heer van Oedt , burger van Keulen tegen een 
geldleen van 90 mark en de verplichting, zelf met twee 
ridders en negen knapen de stad hulp te verleenen : 5 
Januari 1341. 

JoLENTE van Bercheim , dochter van Godert , huwde 
met Emicho graaf van Leyningen , die het kasteel van 



Digitized 



by Google 



129 

Oedt , de advocatie van Kempen , en de inkomsten 
van Hönnef en Aarweiler verkochten aan Willem, mark- 
graaf van Gulik. Deze verkocht dat alles, 5 Januari 
1349, aan den aartsbisschop Waleram van Keulen voor 
20.000 goudguldens. 

De oudste lijn van Cleve-Hulchrath was alzoo ge- 
ëindigd. Loef van Cleve, eerste graaf van Hulchrath 
had echter meer kinderen dan Diederik , die ongetwij- 
feld de oudste was. 

Boven hebben wij een Siegfried leeren kennen , die 
geestelijke was. Zijne overige kinderen worden met 
dezen genoemd in een brief van 13 Augustus 1349. 

Catharina van Cleve, dochter van Diederik Loef, was 
gehuwd aan Waleram van Kessel , heer van Greven- 
broek. Zij noemt zich rougravin en is op vermelden 
dag weduwe. Toen deed zij afstand van de nalaten- 
schap van haren broeder Otto , proost van St. Gereon 
te Keulen , ten voordeele van haren neef graaf Jan van 
Cleve. Een vierde broeder was Reinoud van Cleve, 
heer van Bergen. In een oorkonde van 1335 maakt hij 
ons bekend met het bestaan van eene zuster Aleid , 
weduwe van heer Diederik van Kervenheim , ridder , 
Siegfried Loef van Cleve , Bisschop van Munster en 
Otto van Cleve proost van St. Gereon te Keulen. 

Reinier en Thomas van Berghe teekenen 17 November 
13 17. In 1379 is nog een Reynardo de Berghe ge- 
tuige van Koning Wenzel, bij eene machtiging van 
aartsbisschop Frederik III van Keulen om Arnold bis- 
schop van Luik met de regalia te beleenen. 

Deze Reijnard schijnt geen kleinzoon van Reinoud 
van Bergen, zoon van Diederik Loef, want in 1 368 maakte 

Digitized by LjOOQIC 



130 

hij geen aanspraak op het graafschap Cleve, 't geen 
hij zeker niet zou hebben nagelaten, wanneer hij de 
eenig overgeblevene mannelijke afstammeling van het 
geslacht van Cleve geweest was. Op 12 Juli 1347 
verklaarde Reijnard van Schoynauwe, riddei, voor 
10,000 goudguldens zijne heerlijkheid en hof te Berge 
en Mertzenich en zijn aandeel in Langlo opgedragen 
te hebben aan aartsbisschop Waleram van Keulen. 
Deze Reynard was gehuwd met Philippa erfdochter 
van Valkenburg. Mogelijk wordt hier echter een ander 
Bergen bedoeld en een anderen Reynard. 

Diederik VII, Primogenitus, zoon van Diederik V 
graaf van Cleve en Aleidis van Heinsbergen, is bekend 
II November 1265, graaf vóór 1275. Hij is dood 13/17 
Maart 1306. 

Deze DrEDERiK is tweemaal getrouwd geweest. Zijne 
eerste vrouw was Aleidis, dochter van graaf Otto 
van Gelre, zijne tweede Margaretha van Kiburg. 

Ernst zegt, dat hij sedert 1277 gehuwd was met 
Magaretha, dochter van Everhard, broeder van Keizer 
RuDOLF I, gelijk blijken zou uit een oorkonde uitgegeven 
door den abt Hugo. Teschenmacher verzekert, dat 
Rudolf aan Diederik de steden Duisburg en Kranen- 
burg verpandde voor 2000 mark zilver, die hij zijne 
nicht ten huwelijk beloofd had. De Keizer benoemde 
hem tot stadhouder over een deel der Nederlanden. 
In een charter van 1379, ook door Hugo uitgegeven, 
wordt gesproken van een gift door Diederik van Cleve 
aan zijne vrouw gedaan «et libero concensu Theoderici 
unici haeredis,» waaruit men zou mogen besluiten, 
zegt Ernst, dat die Diederik overleden is voor zijn 



Digitized 



by Google 



131 

vader, en dat Otto, die zijn zoon was, geboren is 
uit een tweede huwelijk. 

Koning Rudolf I verpandde werkelijk 5 Juli 1290 
Duisburg aan zijn geliefden verwant, Diederik graaf 
van Cleve, voor de bruidschat, die hij zijne nicht 
Margaretha beloofd had, en in hetzelfde jaar gaf de 
Koning aan Diederik het castrum en oppidum Nij- 
megen, het oppidum Duisburg en Deventer en eene 
rente van 1000 mark, als uitzet van zijne bruid. 
Diederik heet daar verwant en geliefde raadsman. Op 
2 Juni 1291 bepaalde de Keizer, dat de Duisburgers 
niet wegens de schulden van den graaf mogen aan- 
gehouden of gegijseld worden. Den 14 December 1294 
verhoogde de Keizer de som, voor welke hij Duisburg 
aan graaf Diederik had verpand met 1400 mark, terwijl 
Koning Albert, 8 Juni 1299, schout, burgemeesters, 
schepenen en burgers van Duisburg beveelt, Marga- 
retha zijne beminde tante (matertera) en hare kinderen 
te huldigen, daar die stad hun verpand is.- 

Margaretha was derhalve niet dochter van Everhard, 
broeder van Keizer Rudolf, maar van eene zuster 
zijner vrouw. 

Diederik VII mengde zich in den HoUandschen 
burgeroorlog. Met Jan van Avenues was hij benoemd 
tot voogd over den jongen graaf Jan, zoon van Floris V, 
maar daar Avenues de overhand behield, keerde de 
graaf van Cleve weldra in zijn land terug. Daarop 
koos hij de partij van Guy de Vlaming tegen Frankrijk, 
waarbij hij ook geen geluk had. 

Over het algemeen bevorderde hij de welvaart van 
zijn land. Zoo sloot hij 28 Augustus 1279 een verbond 



Digitized 



by Google 



Ï32 

met den aartsbisschop Siegfried van Keulen, hertog Jan 
van Brabant en graaf Reinoud van Gelre, tot hand- 
having der veiligheid tusschen Rijn en Demer; Maas 
en Rijn zullen vrij bevaren worden. Met den aarts- 
bisschop sloot hij II Augustus 1283 eene overeen- 
komst tot minnelijke regeling van geschillen tusschen 
wederzijdsche onderdanen en het verleenen van bijstand 
aan dezen. Hij wist verscheidene in zijn land gelegen 
sloten tot voor hem open huizen te doen verklaren. 
DiEDERiK van Meurs werd 21 October 1287 zijn ledig- 
man. Zoo ook 25 April 1288 Gerard van Dietz. Hij 
verkreeg 20 November 1298 vrijheid munt te naogen 
slaan gelijk aan de Keulsche. 

Merkwaardig, met betrekking tot de kolonisatie van 
Nederlanders in Duitschland, is de oorkonde van 20 
November 1295, waarbij Diederik graaf van Cleve de 
Uedemerbroek overgeeft aan eenige personen die 
blijkbaar Hollanders of Vlamingen en vrije personen 
zijn. GiBBO BouDEKENS, Mathias Meyker, Robert Gijs- 
BRADTS, Arnold Vagelkens ziju bepaald HoUandsche 
of Vlaamsche namen. Zij bedongen uitdrukkelijk hunne 
vrijheid. Zij zouden geene spandiensten verrichten en 
vrijwillig, naar vermogen, een geschenk doen bij ge- 
legenheid van huwelijk of ridderslag in het huis van 
Cleve. Het land door hen verkregen lag tusschen 
Goxfort en Hulsdonk (Hulshorst). 

Uit zijne echtverbintenis met Aleid van Gelre had 
Diederik een zoon Otto, die hem als graaf opvolgde. 
Uit die met Margaretha Theodericus, die graaf werd 
na zijn broeder Otto. Jan, heer van Linne, domdeken 
te Keulen, die op zijn broeder Diederik volgde en 



Digitized 



by Google 



133 

EvERHARD, die kanunnik was. Ook eenige dochters:, 
Anna gehuwd met Godfried, den laatsten graaf -van 
Arnsberg; Irmgard gehuwd aan Gerhard van Homes, 
Agnes vrouw van Adolf VIII graaf van Berg, jonk- 
vrouw Maria non te Bedbur. Ernst noemt Margaretha, 
gehuwd aan Hendrik van Vlaanderen, graaf van Lodes; 
Elisabeth vrouw van Willem van Hornes; nog een 
Elisabeth gehuwd aan Godfried van Gulik, heer van 
Bergheim en Agnes gehuwd aan Adolf VIII graaf 
van Berg. 

Hendrik van Vlaanderen, heer van Lodes wordt 
door Reinoud I van Gelre genoemd zijn «lieven oom 
en man,» in eene oorkonde van 29 Maart 1327, waarin 
hij aan zijne zuster Margaretha, gravin van Cleve, als 
haar erfdeel toekent 350 mark uit de Betuwe en 
Lijmers. Reinoud had in tweeden echt Margaretha, 
dochter van Guy graaf van Vlaanderen en Isabella van 
Namen. Godert van Gulik, heer van Bergheim, was 
10 November 1332 gehuwd met Elisabeth, dochter 
van D1EDERIK van Cleve heer tot Uedem, edelman. 

Otto, zoon van Diederik VII, verschijnt het eerst in 
eene oorkonde van 22 October 1298 waarin hij mede 
bezegelt de acte, waarbij zijn oom Dirk Loef van Cleve, 
graaf van Hulchraht, heer van Tonnenberg en zijne 
vrouw Elisabeth verklaren, verkocht te hebben aan 
hunnen broeder Diederik, graaf van Cleve, en zijne 
vrouw Margaretha van Kiburg, de heerlijkheid Hulch- 
rode. 

Otto geraakte, al spoedig na de aanvaarding van 
het graafschap, in twist met graaf Everhard van der 
Mark en zijn zoon Engelbrecht "). Deze geschillen 



Digitized 



by Google 



134 

werden bijgelegd door aartsbisschop Hendrik van Keulen, 
waarop een huwelijk volgde met Machteld van Virne- 
burg, dochter van den broeder des aartsbisschops, 
die haar 8000 mark als bruidschat schonk. Tusschen 
Cleve en Mark was echter de vrede niet vast gesloten. 
Graaf Hendrik van Waldeck bewerkte eene bemiddeling, 
hoe na den dood van graaf Everhard, bij weder uit- 
breken der vijandschap, met diens zoon Engelbrecht 
weder zou worden verdragen. Te Wezel bestond in 
dien tijd twist tusschen de burgers over de schepen- 
keus. Tot nu toe had deze plaats uit eenige aanzien- 
lijke familiën aldaar. De gemeente, de plebejers, die 
tot rijkdom gekomen waren en de patriciërs verre in 
aantal overtroffen, waren daarmede niet langer tevreden. 
Bijna in alle steden neemt men hetzelfde omstreeks 
dien tijd waar. Graaf Otto machtigde nu de gemeente 
achttien of twintig kiezers aan te wijzen, die eene 
commissie uit hun midden zouden benoemen, door 
welke gezamentlijk met de schepenen de magistraat 
zou benoemd worden, en hief alle gilden en broeder- 
schappen op. Hij bepaalde verder, dat de magistraat 
wel bevoegd zou zijn de soort der voor de behoeften 
der stad noodige belasting te bepalen, maar tot het 
uitvoeren van nieuwe bouwwerken, en het sluiten van 
verdragen, waardoor aan de gemeente borgpHcht zou 
worden opgelegd, hare toestemming moest verkregen 
worden. Zonder goedkeuring der gemeente zouden geen 
nieuwe keuren gemaakt worden. 

Den 27 September 1310 verkreeg Otto Duimen te 
pand van bisschop Lodewijk van Munster. 

Graaf Otto was 24 Februari 1311 reeds dood, he^ 



Digitized 



by Google 



135 

wel Ernst zegt, dat hij 30 September van dat jaar 
te Horstmar in Westphalen overleed. 

Bij zijne gemalin, Machteld van Virneburg, had hij 
eene dochter, gehuwd aan Jan XI, heer van Arkel. 
Zijne weduwe verkreeg Dinslaken tot weduwgoed. 

DiEDERiK VIII, zoon van Diederik VII, en halve broeder 
van graaf Otto, volgde den laatstgenoemden op als 
graaf van Cleve. Hij is graaf 14 Februari 131 1 en legde 
kort daarna de te Wezel opnieuw ontstane geschillen 
bij. Nu beweerde de gemeente, dat zij die gruit ver- 
kochten, of die geen stedelijke belasting betaalden, of 
vrijschepenen waren, niet in de magistraat mochten 
benoemd worden. De graaf besliste, dat de gruit- 
meesters wel verkiesbaar zouden zijn, wanneer zij de 
gruit tegen den ge woon en marktprijs verkochten, 
maar dat niemand eene stedelijke waardigheid mogt 
bekleeden, die niet bijdroeg in de stedelijke lasten. 
Wat de veemschepenen betreft zou men zich voegen 
naar hetgeen dienaangaande te Dortmunt, hun hoofd- 
plaats, was vastgesteld. 

Na den dood van graaf Otto, die geen zoon had 
achter gelaten, had Otto's weduwe zich bij haar oom, 
aartsbisschop Hendrik van Keulen, aangesloten, door 
wiens bemiddeling hare dochter Irmgardis aan Adolf, 
zoon van graaf Engelbrecht van der Mark, verloofd 
was. De aartsbisschop maakte nu aanspraak op het 
vervallen der Keulsche leenen van het graafschap 
Cleve, waarbij hem Koning Frederik behulpzaam zou 
zijn. Daarentegen verklaarde Koning Lodewijk graaf 
Engelbert vervallen van zijne rijksleenen, en beleende 
dsiarmede den hem verknochten Diederik van Cleve. 



Digitized 



by Google 



136 

Deze twisten werden 29 October 13 17 bijgelegd. Ieder 
behield het zijne. Van het huwelijk tusschen Irmgardis 
en Adolf van der Mark kwam niets. Zij huwde later 
met Jan XI van Arkel, gelijk vermeld is. 

Jan, broeder van Diederik, bad den geestelijken 
stand aangenomen en tot onderhoud verkregen het slot 
en de stad Linne, Orsoy en de Kleefsche bezittingen van 
daar tot Neus, maar moest beloven, dat hij zonder 
raad van zijn broeder niet zou huwen en de hem 
gegeven goederen in leen zou houden, ook geheel af- 
stand er van doen zoude, wanneer hij de bisschoppe- 
lijke waardigheid verkreeg. 

In het jaar 1324 was hij reeds domdeken te Keulen, 
maar vergat toch de mogelijkheid niet zijns broeders 
opvolger te zijn. Op zijn verzoek verkreeg Wezel, dat 
zich door den aanleg van kunstige vestingwerken en 
het hard maken van wegen verdienstelijk gemaakt 
had, het recht om bestendig accijns te mogen heffen, 
en als heer van Linne bewoog hij de abdij Werden, 
hem te machtigen en te helpen om hare bezittingen 
te Vluyn, Hoog-Emmerik, Asterlagen en Burg door 
koop van den graaf van der Mark te verkrijgen. Graaf 
Diederik en zijn broeder eindigden, door een verdrag, 
den twist met Ottos weduwe wegens haar weduw- 
goed. Mechteld moest afstand doen van verscheidene 
gerichtsambten en bezittingen en zich met Dingslaken 
vergenoegen. 

Diederik nam verscheidene maatregelen tot ver- 
heffing van handel en nijverheid der stad Wezel, en 
onderwierp de stad Xanten, van welke hij de voogdij- 
schap bezat, door geweld van wapenen. 



Digitized 



by Google 



137 

Na den dood van zijne gemalin bepaalde Diederik, 
in Augustus 1333, dat, wanneer hij niet weder in het 
huwelijk trad en geen zoon naliet, zijn graafschap 
onder zijne drie dochters Margaretha, gravin van der 
Mark, Elisabeth, vrouw van Voorne, burggravin van 
Zeeland, en Maria zou verdeeld worden. Zijn zwager, 
graaf Reinoud II van Gelre, met wien hij toen op 
vriend schappelijken voet stond, nam de uitvoering van 
dat testament op zich. Tegelijkertijd stichtte Diederik 
een coUegie van kanunniken op het slot Monterberg. 

Gedurende zijne regeering werd de landbouw zeer 
bevorderd. De graaf had de verdeeling van de broek- 
velden in het kerspel Bislich en ook elders bevolen of 
toegestaan, waaruit hij van ieder aandeel, slag ge- 
naamd, een som ontving naar evenredigheid van het 
aantal morgens en den toekomstigen oogst van vruchten 
en hooi. De stad Wezel maakte bezwaar, dat door 
het deelen der broekvelden in haar kerspel, bij de 
voordurende verandering van fortuin van hare van 
nijverheid bestaande bevolking, aan vele genoten het 
eenige middel van bestaan zou onttrokken worden, en 
verkreeg, dat hare broekvelden onverdeeld gemeente- 
eigendom zouden blijven. In dien tijd verwierf Diederik 
de heerlijkheid Spellen en het leenheerschap over het 
slot en de stad Holten. Voordurend bleef hij een aan- 
hanger van Keizer Lodewijk, die hem in 1336 ver- 
gunde den tol van Huissen te verleggen naar Grieth. 

Jan, die altijd de kans in het oog hield eens graaf 
te kunnen worden, liet zich en zijne zonen, zoo hij 
ooit trouwde en zonen kreeg,. 2 Mei 1336 door den 
aartsbisschop Waleram van Keulen een leenrente van 200 



Digitized 



by Google 



138 

regalen beschrijven op den tol van Reinberg, en bewoog 
de weduwe van graaf Otto hem tegen een lijfrente 
Dinslaken af te staan. Bij verzet van Diederik, liet 
hij het echter aan dezen over. 

De graaf verwierf de voogdij over Vilich en eenige 
gerichten en goederen te Lehn en Offerhaus, en schijnt 
om dezen tijd de stad Cleve tot woonplaats gekozen 
te hebben. Hij verlegde het kanunniken collegie van 
Monterberg naar die stad, en vereenigde daarmede 
zijne slotkapel, de gasthuisvicarie en de parochiekerk 
van Calkar. De stad, die deze verplaatsing van den 
grafelijken zetel zeer in haar belang achtte, werkte 
inschikkelijk mede tot het vormen van eene groote 
ruimte die immuniteit zou zijn. 

Daarna schijnt Diederik geleden te hebben aan verval 
van krachten. Hij maakte een zonderling testament, 
22 Februari 1342, waarin hij het door hem begane 
onrecht, voor zoover hij zich herinneren kon, erkende 
en herstel beval. Het volgende jaar sloot hij eene erf- 
deeling tusschen de zonen van zijne zuster Irmgardis, 
weduwe van den heer van Hornes, en stierf 7 Juli 1347. 

Zijne dochters zijn reeds vermeld. Zijn eerste vrouw 
was Margaretha van Gelre, zuster van graaf Reinoud II. 
Bij zijne tweede gemalin, Maria van Gulik, die hij in 
den loop van het jaar 1340 huwde, had hij geene 
kinderen. Zijne dochter Elisabeth, weduwe geworden 
zijnde van Gerard van Voorne, is voor 17 September 
1338 hertrouwd met Otto, zoon van Hendrik land- 
graaf van Hessen. Uit geen dezer huwelijken heeft 
zij kinderen nagelaten. 

Na den dood van graaf Diederik ontstond twist over 



Digitized 



by Google 



139 

de opvolging in het graafschap Cleve. De domdeken 
Jan maakte aanspraak als eenigst mannelijk oir uit 
het huis van Cleve en naaste erfgenaam zijns broeders; 
Otto van Arkel als zoon van Irmgardis, dochter van den 
oudsten zoon van Diederik VII. De graaf van der Mark 
steunde op het testament van zijn grootvader. 

Jan behield de overhand. Hij v^on de hem reeds vroeger 
genegen stad Wezel reeds op ii Juli 1347, door het 
verleenen van nieuw^e privilegiën, v^aarbij hij zich 
verbond, bij een oorlog over de erfopvolging zich niet 
binnen hare muren te zullen vestigen. Hij vermeerderde 
de tolprivilegiën van Calkar. Zoo kwamen de twisten 
over de erfopvolging den burgers ten goede. 

Gaarne ontving Keizer Lodewijk, in zijn nood na de 
verkiezing van Karel IV, de hulde van graaf Jan. Hij 
beleende hem, i September 1347, met het graafschap 
en de aan het rijk vervallen jurisdictie te Rinderen ; 
bekende hem 10,000 mark bij de som, waarvoor Duis- 
burg verpand was, schuldig te zijn, stond verplaatsing 
toe der RijntoUen ; bevestigde alle vroegere privilegiën 
en bewilligde er in, dat Orsoy stedelijke vrijheid 
verkreeg. 

Jan bevestigde en vermeerderde ook de stedelijke 
rechten van Kleef. Intusschen maakte Engelbert van 
den Berg, zoon van Jans zuster, aanspraak op Cleve 
en trachtte die ook met de wapenen te doen gelden. 
Graaf Jan, die zich van het priesterschap had laten 
ontslaan, trad daarna in het huwelijk met Mathilde, 
dochter van Reinoud II van Gelre, en weduwe van 
Godfried van Heinsberg, waarop zijn neven van 
HoRNES en van den Berg afstand deden van hunnen 



Digitized 



by Google 



140 

eisch, Koning Karel IV hem 19 Februari 1349 met 
Cleve beleende, en de verhooging der verpandingssom 
voor Duisburg met 10,000 mark goedkeurde. 

Graaf Jan verleende in 1347 hulp aan Engelbert, 
bisschop van Luik, tegen de Luikenaars. In den oorlog 
tusschen de Geldersche broeders Reinoud en Eduard 
hield hij de zijde van Reinoud, dien hij belangrijke 
sommen leende, waarvoor hij Emmerik ten pand ont- 
ving. Eduard viel in Cleve en verbrandde Emmerik, 
Jan trad verwoestend in Gelre op. Het einde van dezen 
oorlog heeft hij niet beleefd. Van Reinoud had hij het 
ambt van Over-Betuwe gekocht. Hij stierf 9 November 
1368. Uit zijn huwelijk verwachtte men, reeds toen 
het gesloten werd, geen kinderen. Graaf Engelbert 
van der Mark sloot daarom reeds in 1362 een over- 
eenkomstmet zijn broeder, bisschop Adolf van Munster, 
dat na den dood van hun oom Jan, het graafschap 
Cleve op den linker Rijnoever aan Adolf, dat op den 
rechterkant aan Engelbert komen zoude. Graaf Jan 
heeft zich tegen die beschikking niet verzet. Hij schijnt 
haar derhalve zwijgend te hebben goedgekeurd. 

Zijne weduwe, Mathilde, had intusschen van haar 
kant bisschop Adolf, die in dien tusschentijd aarts- 
bisschop van Keulen geworden was, hare hulp beloofd. 
Nu sloot Adolf, die afstand deed van zijne geestelijke 
waardigheid, met haar en haar broeder Eduard, de 
vroeger ongetwijfeld reeds afgesprokene overeenkomst, 
dat Emmerik en de Lijmers, die Cleve van Gelre in 
pand had, na den dood van Mathilde en Huissen met 
den tol terstond aan Gelre zouden worden overgegeven, 
maar, wanneer Eduard kinderloos overleed, aan Cleve 



Digitized 



by Google 



141 

zouden terugkeeren. Adolf verstond zich met de heeren 
Aran Arkel en Hornes, en 21 December 1368 werd hij 
plechtig te Cleve als graaf gehuldigd. 

Zeker is in de geschiedenis van het huis Cleve een 
opmerkelijk verschijnsel waar te nemen, nl. het door- 
gaande gebrek aan mannelijke erfgenamen bij de 
oudere zonen van dat geslacht. Het is bijna regel, 
dat de jongere broeders de oudere als graven opvolgen 
en daarin is ongetwijfeld de reden te vinden, dat 
zelfs Lacomblet eenigszins in de war schijnt geraakt, 
bij het opmaken van zijn personenlijst achter het eerste 
deel. Overigens is die lijst, even als die der plaats- 
namen op zijn Urkundenbuch; waarschijnlijk niet van 
zijne hand , men moet die met voorzichtigheid ge- 
bruiken. 

Zijn voortreffelijk overzicht over de graven van 
Cleve hebben wij overigens getrouw gevolgd, behou- 
dens gedurige controle. 




Digitized 



by Google 



AANHANGSEL. 



BASTAARDEN VAN CLEVE. 



Ongetwijfeld hebben eenige heeren uit het huis van 
Cleve bastaarden nagelaten. In dien tijd v^as dat 
algemeen. 

RicoLD de Cleve, genoemd ii; Februari 1334, was 
zeker geen bastaard van Cleve. Hij was pastoor in 
die parochie. 

Wel schijnt een bastaard van Cleve geweest te zijn 
de gemelde zoon van graaf Diederik V, de miles 
EvERHARD Een weinig vroeger komt voor Waltherus 
de Clyvo, wiens zoon Henricus aanspraak maakte op 
het patronaat der kerk te Keilen, 30 April 1249. 
Waltherus is mogelijk een bastaard geweest van een 
der zonen van Diederik V. Behalve dezen Waltherus 
is ons geen ander in dien tijd voorgekomen die den 
naam van Cleve voerde. Onder de talrijke geslachten, 
die thans van Cleve of van Kleef heeten, is mogelijk 
nog Wel een, dat van Walter of diens zoon Hendrik 
afstamt. 




Digitized 



by Google 



AANTEEKENINGEN. 

I. 

O Gastra Vetera, Furstenberg bij Xanten (Speurath, 
Alt hert h. SMerkzvurdigkeiten der Stad Xanten en Ph. 
HouBEN Denkmaeler van Castra Vetera) lag in het 
land der Batavieren, want Brinio de bondgenoot van 
Claudius Givilis ontdeed zich van zijn langen baard 
en lang hoofdhaar na de verovering van die leger- 
plaats. Hun vaderland was toen van Romeinen ge- 
zuiverd. Brinio had zijne gelofte vervuld. 

*) Nettesheim, Geschichte Gelrens I, s. i, meent, dat 
Gelduba (Gelb bij Uerdingen) en Hordonii Gastra nog 
in het gebied der Ubiërs lagen. De Romeinen volgden 
echter het stelsel der natuurlijke grenzen en alzoo 
moeten de Zonsbeek en Erft grensrivieren geweest zijn. 

*) Over Rijnland, het land tusschen Rijn en Maas, 
vindt men belangrijke artikelen in het Westdeutsche 
Zeitschriji. Prof. Arnold te Marburg leverde in dat 
tijdschrift I. heft i. s. i, eene studie zur Geschichte 
Reinlands. Over dat gedeelte wat thans tot Nederlandsch 
Limburg behoort, leze men de belangrijke artikelen 
in de Publtcations de la Société Historique et oArchéologique 
dans Ie duché de Limbourg ; vooral het voortreffelijke 
opstel van den Eerw. heer Jos. Habets in Tomé XVIII 



Digitized 



by Google 



144 

(i88i). Over Nijmegen bestaat eene uitgebreide littera- 
tuur; over Tusschen Maas en Waal bijna niets. Daar 
schijnt een graafschap Hare bestaan te hebben: «Her- 
varde, in comitatu Hare, Super flumen Was,» werd 
2 Oct. 1024 door Keizer Koenraad in vollen eigendom 
geschonken aan den bisschop van Luik. Chapeauville, 
Gesta pontijicum Leodiensium I. 210. 

*) Overal is het land tusschen Rijn en Maas vol van 
overblijfselen van gebouwen uit den Romeinsohen tijd. 
Veel is gevonden en nog meer verloren geraakt. Nog 
voortdurend doet men daar ontdekkingen. Die daar- 
van op de hoogte wil zijn, leze genoemd Zeitschrifl. 
Fahne leverde in zijn 'Bocholtz^ ler 'Band^ ler cAbiheilung^ 
s. 188 u. f. eenige, uitstekend goede artikelen over 
de vroegere geschiedenis en topographie van het land 
tusschen Rijn en Maas. Wij stemmen niet altijd met 
hem overeen, bv. wat de namen op de kaart van 
Peutinger en in den Reiswijzer van Antonius betreft. 
Zoo meende hij, dat Arenatio van de kaart van Peutinger, 
Harenatio van den reiswijzer van Antonius en Arenacum 
van Tacitus, moet gezocht worden in het te^enswoordige 
Cleve , terwijl oudere schrijvers Arnhem achten te zijn 
het Arenacum van Tacitus. Dr. G. Acker Stratingh 
heeft in zijn voortreffelijke A/owie Staat deRomeinsche 
wegen en plaatsen hier te lande met juistheid aan- 
gegeven. Hij geeft de ligging van Arenacum op bij 
Millingen , de naam schijnt nog bewaard in het bij- 
gelegen Erlecum, en hoe juist zijn vermoeden en zijne 
becijferingen waren , is gebleken uit de ontdekkingen 
in 1885 door den ZeerEerw. heer W. P. L. van Eyck, 



Digitized 



by Google 



M5 

pastoor te Millingen, gedaan bij opgraving van een stuk 
weiland bij het gehucht Zeeland, tegenover Doornen burg, 
I uur van Erlecum, en later in een akker aldaar. Tot 
nu toe is echter een belangrijk gedeelte van het terrein 
ondoorzocht gebleven ; intusschen zijn de fondamenten 
van een Romeinsch gebouw met verscheidene oudheden, 
alles van Romeinschen oorsprong, ontdekt. Voor ons ligt 
eene uitvoerige mededeeling van den Eerw. van Eyck, 
wien wij ook hier onzen dank betuigen voor zijne 
inlichtingen. 

») Deze verklaring van het ontslaan van de Franken 
en hun naam schijnt ons, even als de later in ons 
opstel vermelde verdeeling in Saliërs en Ripuariërs, de 
eenvoudigste en aannemelijkste. Niet in alle opzichten 
zijn wij het eens met Dr. Lamprecht in zijne Frankische 
cAnsiedlungen und Wanderungen in Rijnland. Zie ge- 
noemd Zeitschrift I. 2. s. i, u. s. w. Het historische 
gedeelte laten wij echter gelden. Maar over het geogra- 
graphische zijn wij het niet met dien geleerde 
eens. Zoo woonden de Anglen en Warnen zeker niet 
bij Tongeren in Hespengou. De naam der Warnen 
schijnt bewaard te zijn gebleven in het eiland Voorne. 
Adam van Bremen (iie eeuw) zegt, dat de Saksen eerst 
bij den Rijn woonden en Anglen genoemd werden, 
van welke een gedeelte naar Brittannie overstak. 
Tacitus vermeldt Anglen en Warnen onder eene wet 
levende, die wet heet Angliorum et Werinorum, hoc 
est Thuringorum. Procopius, de bello Gothico L. VI. 
c. 10 plaatst Anglen en Warnen omstreeks 550 aan de 
Noordzee bij den mond van den Rijn. In het testament 
van WiLLEBRORD vindt men vermeld «villa quaevocatur 

10 

Digitized by LjOOQIC 



146 

Aimistadi super fluvio Wielheo in pago Turingasnes , 
d. i. Heen vliet aan de Wielingen (Maas) op het eiland 
Voorne. Hieruit blijkt wel zeer duidelijk, dat de Warnen 
niets met Tongeren te maken hadden maar met de 
Turingers. 

•) Sedert Valentinianus II is de naam van Ripuariërs 
bekend. De naam Saliërs vsras reeds ten tijde van 
Julianus in gebruik. De Hattuariërs kunnen zich 
niet tusschen Rijn en Maas gevestigd hebben , voor 
men de Sicambren bij Tongeren aantreft , want zij 
vestigden zich in de landen van deze tusschen Rijn 
en Maas. 

') Over de vroegere staatkundige inrichting der 
Germanen, hunnen heerban en de gevolgen, zie men 
MosER in zijne Osnabrückische Geschichte. 

*) Hier verwijzen wij weder naar Fahne. De meeste 
Germaansche volken hebben zich in den aanvang der 
Frankische beweging gesplitst. Zoo woonden ten tijde 
van Tacitus de Bructeren bij Paderborn, en in het jaar 
393 vindt men Bructeren aan het Hircinische woud. 
Claudianus Paneg. in Consulat. Honorii zegt: 

«Venit accola sylvae 
Bructerus Hirciniae.» 
en SiDONius Appollonarius Carm. VII, S. 324 : 

Bructerus ulvosa vel quem Nicer abluit unda 
«Prorumpit Francus.» 
in de vijfde eeuw. Toen woonden zij aan de Necker, 
het zuidelijkste de Franken. 

De Chamaven woonden ten tijde van Tacitus aan 
de Elbe. Zij maakten zich met de Angrivariërs toen 



Digitized 



by Google 



M7 

meester van de landen der Bructeren ten noorden der 
Uppe in het later bisdom van Paderborn. Zuidelijk 
van die rivier bleven de Bructeren. Chamaven waren 
zeker Quacken of Kwekken en een deel van dat volk 
woonde tot den Rijn in Hameland. De Chamaven, 
die Julianus in de Betuwe en op de Veluwe vond, 
waren andere dan die in Nassau. De veldtocht van 
Arbogastus heeft niet in ons land plaatsgehad. Eenige 
Hattuariërs schijnen zich in Frankrijk aan de Saone 
(Dpt. Houte Saone) gevestigd te hebben waar een 
Pagus Hattuariorum] ^voorkomt vermeld in de rijks- 
verdeeling van 839. Wij bepalen ons tot voorbeelden 
bij volken die op ons land betrekking hebben. De 
stof is te uitgebreid om die hier geheel te verwerken. 
Dit echter wenschen wij bijzonder te doen uitkomen, 
dat de Bructeren van welke Tacitus spreekt niet in 
ons land woonden. 



•; Fahne ontheft ons van de taak hier uitvoeriger 
dit onderwerp te behandelen. Zijn historisch gedeelte 
in zijn werk over Bocholtz is met zeer veel zorg be- 
werkt. Het blijkt, dat hij in de door hem aangehaalde 
bronnen werkelijk heeft gezocht. Wij zouden zijne 
bewijzen nog wel met eenige kunnen vermeerderen, 
maar zien daar het nut niet van in, tenzij men over 
ondergeschikte punten met hem van meening mocht 
verschillen, en dan zou dat in bijzondere opstellen 
moeten behandeld worden. 

•; Zie Martin, Histoire de France. 

Digitized by LjOOQlC 



148 
II. 

*) In dit hoofdstuk hebben wij vooral gebruik ge- 
maakt van wat Fahne er over levert. Wij zijn het 
echter niet op alle punten met dien ijverigen geleerde 
eens, gelijk blijken zal. 

*) Om al te veel getallen en aanteekeningen te ver- 
mijden, hebben wij jaartallen ontleend aan de oor- 
kondenboeken van Lacomblet en Bn. Sloet, de plaatsen 
niet opgegeven waar de daarop betrekking hebbende 
oorkonden te vinden zijn, men kan ze gemakkelijk in 
die uitstekende standaardwerken terug vinden óf op 
het jaar, óf, bij gebruikmaking der indices, op den 
naam. 

3) Wij verschillen in de uitlegging der Rijksverdee- 
lingen van Fahne. 

*) Dr. Norrenberg. Geschichte der Herlichheit Ore- 
frath, Viersen und Arnhem 1875. 

*) Men leze over deze mark wat Lacomblet er van 
zegt Urk. Satnl, i<^2, n**. 236 en 675. Eerst dacht hij 
aan Wachtendonk, later kwam hij daarop terug en 
plaatst deze marke bij Udem. 

III. 

*) Boven ieder ander ons bekend werk, verdient den 
beoefenaar van de geschiedenis der middeleeuwen 
aanbeveling, het werk van Dr. Gustav Richter, Zeit- 
tafeln der Veutschen Geschichte im ïMütelalter , Halle 
a. S. 1881. Niet alleen toch zijn daarin de voor- 
naamste feiten vermeld, maar ook de bronnen voor 



Digitized 



by Google 



149 

de verschillende tijdvakken aangegeven, en talrijk de 
woordelijke aanhalingen van teksten van gelijktijdige 
of kort na de vermelde gebeurtenissen geleefd heb- 
bende schrijvers. Op 174 bladzijden vindt men een 
ware schat van historie van 481 tot 1254. — De prijs 
is zoo gering, dat wel iedereen het zich kan aan- 
schaffen. 

*) Natuurlijk waren hiervan uitgezonderd vorstelijke 
geestelijke heer en. Deze stelden echter over gedeelten 
van hun gebied aan graven, voogden, enz. 

*) Voor zoover mij bekend komt die titel slechts 
eenmaal voor, gedragen door een heer van Loon in West- 
phalen. — Uit de oorkonde (Sloet n^. 300) blij kt, dat 
daarmede een onder den bisschop van Munster staan- 
den graaf werd aangeduid, geen koninklijke of rijks- 
graaf, ook geen vrijgraaf , want er wordt gesproken 
van het regimen populare dat door hem werd uit- 
geoefend, terwijl een vrijgraaf wel jurisdictio maar 
geen regimen bezat; wel rechtspraak maar geen 
regeering. 

N. B. Voor dit Hoofdstuk is voornamelijk gebruik 
gemaakt van de werken van von Maurer en von Strantz. 
Daaraan is natuurlijk slechts datgene ontleend, wat tot 
goed begrip van de vervolgens te behandelen onder- 
werpen noodig is. 

IV. 

^) Omtrent het cijfer der Frankische Diederikken 
heerscht eenige verwarring. Zoo noemt Bn. Sloet 
in n**. I zijner oorkonden Theoderik, tusschen 673 



Digitized 



by Google 



I5Ó 

en 971, DiEDERiK I en Bn. vanSpaen, Theoderik, tus- 
schen 720 en 737, Diederik II. — De Fransche schrijvers 
van den laatsten tijd volgen een anderen regel. Zij 
noemen den oudsten zoon van Clovis Théoderic of 
Thierri ^^ 311 — 534. — Thierri II, den tw^eeden zoon 
van Childebert II in 596; Thierri III, den derden zoon 
van Clovis II, 670 — 691, en eindelijk Thierri IV, den 
derden zoon van Dagobert III, 720 — 737. 

Wanneer men nu bladz. 28 vindt Diederik III, tus- 
schen 673 — en 691, dan is dit geen fout, al vindt 
men in het oorkondenboek Diederik I. Wij hebben 
slechts eene methode gevolgd, dieons duidelijker scheen. 

t) Zie hier een kort overzicht van de geschiedenis 
der hofmeiers voor zoover die betrekking heeft op 
den inhoud van dit werkje. 

De Ripuarische vsret werd geredigeerd onder Diederik 
Koning van Austrasie, hij stierf 534. 

Theudebert Koning van Austrasie en Dirk Koning 
van Orleans en Bourgondië slaan Clotarius Koning 
te Soissons. Dirk verkrijgt het land tusschen Seine, 
Loire en den Oceaan, 600. 

Berthold, hofmeier van Dirk, wordt 404 door Landri, 
generaal van Chlotharius geslagen. 

Protades, de volgende hofmeier van Dirk, vermoord 
zijnde , werd Claudius, een Galliër, hofmeier. Dirk is 
meester van den Elsas. 

In 610 deed Thiedbert een poging om den Elsas 
te herwinnen. Conferentie bij Selz. De Elsas wordt 
aan Thiedbert afgestaan 612. De Elsas door Diederik 
hernomen (slag bij Toul). Thiedbert vlucht over den 



Digitized 



by Google 



15' 

Rijn en keert weldra terug. Slag bij Tolbiak(Zulpich). 
Bertharius hofmeier van Diederik. Keulen ingenomen- 
Bertharius neemt Thiedbert gevangen, Wordt gedood 
te Chalons sur Saone oud 27 jaar. In 612 is Diederik 
Koning van Bourgondie en Austrasie. 

613. Chlotarius alleen Koning. Sedert 584 over 
Neustrie. Radcn hofmeier over Austrasie. 

622. Dagobert Koning van Austrasie (mederegent) 
behalve Ardennen en Vogesen. Pepijn van Herstal en 
Arnolf bisschop van Metz. In 628 is Dagobert Koning 
over het geheele Frankische rijk. 622 schenkt hij de 
Saksen vrijdom van hun tribuut van 500 ossen 's jaars. 
632 of 633 stelt hij zijn zoon Siegebert, die 8 jaar oud 
was, aan in Austrasie onder toezicht van Cunibert en 
Adalgises. Dagobert sterft 19 Januari 638. Na zijn 
dood zijn de hofmeiers wezenlijke meesters in het Rijk. 

Siegebert Koning van Austrasie in 638. Pepijn sterft 
in 639. Hem volgt zijn zoon Grimoald. Otto, zoon van 
Bero, hofmeier. Siegebert wordt in zijn oorlog tegen de 
Turingers in 640 verslagen. Leutharius hertog van 
Alemannie vermoordt den Austrasischen hofmeier 
Otto in 642. 

Clovis III Koning van Neustrie en Bourgondie. Ega 
hofmeier. Echinoald of Archimbald 640. Flaocatus stierf 
642. Clovis II dood na 5 Sept, 656, oud 33 jaren. 

De hofmeier Grimoald doet Dagobert, zoon van Siege- 
bert, in 656 door Dido, bisschop van Poirtiers, den 
schedel scheeren en hem naar Schotland voeren ; hij 
maakte zijn eigen zoon Childebert Koning. Deze re- 
geerde slechts zeven maanden. Grimoald stierf te Parijs 
waarheen hij door de Austrasische edelen gezonden was. 



Digitized 



by Google 



152 

Erchinoald, dood 637. Ebroin hofmeier over Neustrie 
onder Chlotarius II. Chlotarius is dood 670. DirkIII, 
3e zoon van Clovis, Koning van Austrasie en Bourgrondie. 

Childebert II, 2e zoon van Clovis, in 661 Koning 
van Austrasie. Wulfoald hofmeier. Ebroin werd 670 
in het klooster van Luxen gestoken. Diederik III te 
St. Denis. In 671 werden beiden er uil bevrijd (volgens 
Mabillon rekende Diederik zijne regeeringsjaren na 
de herstelling). Ebroin wordt Diederiks hofmeier over 
Austrasie , maar wapent zich weldra tegen zijn Koning 
ten voordeele van een onderstelden zoon van Chilotarius 
III (Clovis). Hij werd ondersteund door Didier, bisschop 
van Chalons sur Saone , en Bodo, bisschop van Valence, 
en Warner , hertog van Champagne. In 664 sloeg 
Ebroin Diederik en zijn hofmeier Leuderius dien hij 
vermoorde. St. Leger werd door Warner blind ge- 
maakt en in een klooster gestoken. Daarna verzoende 
Ebroin zich met Diederik en werd diens hofmeier. Hij liet 
GuERiN, broeder van St. Leger steenigen. St. Leger 
zelf werd in Oct. 678 te Fecamp in het klooster ge- 
dood. In 676 deed Adalrik hertog van Elsas een 
poging om Ebroin te verjagen, maar delfde het onder- 
spit, hoewel de Austrasische edelen op zijne hand 
waren. Adalrik wordt afgezet 4 September 676. Diederik 
en Ebroin slaat 680 bij Lafon de Hertogen Martin 
(zoon van Wulfoald) en Pepijn van Landen die zich 
van Austrasie hadden meester gemaakt. Ebroin wordt 
in 681 vermoord door Hermenfried. Varato hof- 
meier 683. GisLEMAR hofmeier, wordt door Pepijn bij 
Namen geslagen. Sterft 684. Varato ten tweede male 
hofmeier na zijn zoon Gislemar, Sterft 686, Bertharius 



Digitized 



by Google 



153 

hoftneier. Koning Diederik en Bertharius bij Tetri ge- 
slagen in 687. Na Bertharius Norbert hofmeier van 
Diederik. Pepijn in 686 tegen den Frieschen Koning 
Radboud, Dirk sterft in de lente van 691. 

') Venantius Fortunatus, bisschop van Poitiers van 
510 tot 590, zong «ad Chilpericum Regem: 

Terror et extremis Frisonibus atque 

Suevis qui neque bella parrant, sed tua frena rogant. 
Childerik sloeg in 564 de Varnen, die een inval in 
Austrasie gedaan hadden. 

♦) Ex hoc autem tempore jam non de principatu 
Francorum sed de diversarum gentium adquisitione, 
quae quondam Francis subjectae fuerant invicto prin- 
cipi certamen instabat, id est contra Saxones, Friso- 
nibus .... Harum enim gentium duces in contumaciam 
verso a Francorum, se dominio per desidiam praesum- 
tione adstraverant. Ann. Mett. anno 688. 

*) De giftbrief van graaf Ebroin (Sloet n**. 6) is 
ontleend aan Pardessus diplomata. De uitgave van 
Pardessus is genomen naar het Gouden Boek van 
Epternach. Epternach werd in 698 door Willebrord 
gesticht. Hij was in 690 hier te lande aangekomen. 
Diederik III werd in 673 Koning (efifectief), zoodat zijn 
eerste regeeringsjaar was een gedeelte van 673 en 674. 
De hofmeier Ebroin werd gedood in 681. 

Het is alzoo onmogelijk, dat de hofmeier Ebroin in 
hét eerste jaar der regeering van Koning Diederik III 
iets aan de kerk te Kinderen kon geven, als Willebrord 
toen custos was dier kerk. 



Digitized 



by Google 



ï54 

In het stuk is geen sprake, dat toen de brief gegeven 
werd de kerk van Rinderen aan Epternach behoorde 
of aan die abdij of aan Willebrord geschonken werd. 
In het testament van Willebrord wordt alles vermeld 
wat hem door edele Franken geschonken werd met 
vermelding hunner namen. Ebroïn noch Rinderen 
worden daarbij genoemd. Niet echter worden opgegeven 
wat hij van Pepyn, Plectrudis en den hofmeier Karel 
verkregen had. Daartoe zou dus ook de kerk van 
Rinderen kunnen behoord hebben. 

Tusschen 776 en 798 (Sloet n*. 10) verkreeg Epternach 
een waard tusschen Rinderen en Brienen van Karel 
DE Groote, daardoor kwam Epternach vermoedelijk 
voor het eerst in eenige betrekking tot Rinderen. In 
948 gaf Koning Otto I aan het klooster Epternach 
terug de villa Rinderen, in de Duffel, in het graafschap 
van Irinfried , welke, zooals de Koning zegt, op onrecht- 
vaardige wijze aan dat klooster was ontnomen. Van 
de kerk is in die oorkonde geen sprake. Niet voor 
6 Mei 1069 wordt de abdij van Epternach, door Paus 
Alexander, bevestigd in het bezit van de kerk van 
Rinderen en wat er toe behoort. Minstens van dien tijd 
zal dus Epternach aanspraak gemaakt hebben op het 
bezit dier kerk, maar daarmede komt niet overeen, 
dat KoENRAAD, Aartsbisschop van Keulen, in 1238 de 
kerk van Rinderen sc/ionA aan de infirmerie van Epternach, 
uit medelijden met den behoeftigen toestand van deze, 
en dat in die oorkonde geen het minste gewag wordt 
gemaakt van eenig recht, of beweerd recht, der abdij 
op die kerk. 

Hoewel de Duffel kerkelijk onder het Bisdom van 



Digitized 



by Google 



155 

Utrecht, diakenaat Emmerik, behoorde, maakte 
Hinderen daarop eene uitzondering ; dit behoorde tot 
het Bisdom van Keulen , aartsdekenschap Xanten. 
WiLLEBRORD is nooit Aartsbisschop van Keulen , noch 
aartsdiaken van Xanten geweest. De kerk van Rinderen 
behoorde niet aan Epternach vóór 1238, zijn dus de 
woorden : «ubi nunc dominus pater et pontifex Wille- 
BRORDusepiscopus custos essevidetur» wezenlijk aanwezig 
geweest in het origineel: dan w(zs dat origineel niet echt. 

Daar het Gouden Boek van Epternach echter ge- 
schreven is in de Xlle eeuw, is, in verband met het 
voorgaande, zeer waarschijnlijk, dat toen Epternach 
aanspraak maakte op de kerk , of dat de overschrijver 
die aanspraak in zijn Gouden Boek voorbereidde en 
dat tengevolge van eene kopie uit dat boek Paus Alexander 
II, de kerk van Rinderen onder de bezittingen van 
Epternach vermeldde, maar aartsbisschop Koenraad 
erkende dat recht niet in 1238. 

Er is geen reden om aan de echtheid van den inhoud 
van het stuk (behalve de vermelding van Willebrord) 
te twijfelen , zoodat nog overblijft de tijdsbepaling en 
de aanwijzing van den persoon des gevers. 

Kort nadat Diederik III uit het klooster gehaald en 
Koning geworden was , ontvlood ook Ebroin uit het 
klooster waar men hem had opgesloten, en begaf zich 
na den dood van Childerik, die voor April 644 plaats 
had, naar Austrasie. Daar verklaarde hij zich weldra 
tegen Koning Diederik en riep tot Koning, onder den 
naam van Clovis, iemand uit, dien hij voorgaf te zijn 
een zoon van Chlotarius III. Met dezen trok hij naar 
Parijs terwijl Diederik naar Baissieu in Picardie vluchtte. 



Digitized 



by Google 



156 

Dit had plaats \66r Augustus van 674. Zoodat volgens 
het leven van St. Legërius (St. Leger) in de Acta 
Sanctorum 2 Oct.), door Ebroïn deze brief kan gegeven 
zijn in het tweede kwartaal van 674, want toen was 
hij in Austrasie en nog in vrede met Koning Diederik III. 

In het leven van den H. Drausius (Acta Sanctorum 
op 5 Maart) vindt men dat de hof meier Ebroïn, die 
volstrekt niet op vijandelijken voet stond met de kerk, 
al heeft hij St. Legerius laten ombrengen, het vrouwen- 
klooster van Sancta Maria buiten Soissons heeft gesticht, 
welk klooster door zijne vrouw, omdat de maagden 
daarin overlast leden, binnen de stad werd overgebragt. 
Die vrouw heet daar Leutrüdis of Lentrudis. Het 
klooster is gesticht in 675. Bij Leutrüdis had hij een 
zoon, Bovo genaamd. 

Nu heet de beminde gade van EeRoin in de bnef , 
dien wij brengen op 674, Theodelinda of zooals wij 
uitspreken Diedelinde, terwijl in het leven van St. 
Drausius de vrouw van den hofmeester nu eens Leu- 
trüdis, dan eens Lentrudis heet, zoo, Lentrudis, moet 
zij ook, volgens eene aanteekening aldaar, in den stich- 
tingsbrief van het klooster te Soissons genoemd zijn. 
Zeer zeker levert de naam der vrouw hier bezwaar, 
waarbij wij echter opmerken, dat de lettergreep Linde 
in beiden de voornaamste plaats bekleedt , en zeer 
wel door den afschrijver in het Gouden Boek haar 
naam veranderd kan zijn , terwijl het overigens niet 
zelden voorkomt, dat personen in dien tijd bij veranderde 
levensomstandigheden van naam veranderden, en men 
in ieder geval te doen heeft met twee oorkonden van 
welke de eene in Duitschland, de andere in Frankrijk 



Digitized 



by Google 



157 

werd opgesteld. In het eerste geval was haar man 
hofmeyer in Austrasie, in het tweede in Neustrie. 

•) In mijn werkje De Graven in Hameland, Arnhem 
1873, ^^^ i^ getracht aan te toon en de indentiteit 
tusschen de graven van Nordgou en die van Hameland. 
Ik maakte daartoe gebruik van het artikel in rArt de 
vérijier les dates, over de graven van Noordgou. 

Dat artikel heb ik echter later niet altijd juist bevonden. 
Zoo vond ik in het leven van St. Leger, Everhard 
(de Graven, bladz. 11) graaf van Suntgou zoon van 
Adelbert, hertog van Elsaten , een volle broeder van 
hertog LuiDFRiED, zijne vrouw was Emeltrudis, en dat 
hij bij deze twee zoons had VVarinus en Ruthard , de 
laatste heet in FArl zoon van Luitfried, ook leest 
men aldaar, dat hij kinderloos stierf. 

Sedert is bij mij twijfel ontstaan of Everhard I wel 
een zoon was van Ruthard, hetgeen ik onderstelde, 
terwijl Grandidier aannam , dat hij een zoon was 
Alberik graaf van Nordgou , zoon van Eticho. Ik 
onderstelde, dat Ruthard dezelfde persoon is, die in 
oorkonde Brunhariüs vader van Everhard I genoemd 
wordt. 

Overigens kwam ik er rond voor uit, dat ik volstrekt 
niet overtuigd- was van de afkomst van Everhard I, 
die ook Wracharius heet. In een brief van 9 Oct. 794 
wordt hij genoemd zoon van wijlen Brunhariüs. 

Brunhariüs moet omstreeks het jaar 750 een man 
geweest zijn in de kracht van zijn leven, en alzoo 
geboren omstreeks het jaar 726 of iets vroeger. In 
dat jaar was een graaf Everhard van zijne bezittingen 



Digitized 



by Google 



158 

in de Betuwe ontzet, omdat hij met de vijanden van 
den Koning had zamengespannen. Wat de jaren betreft 
kan alzoo Brunharius zeer goed geweest zijn een zoon 
van dien Everhard. Daar toen even als thans gewoon- 
lijk de kleinzoon naar zijn vaderlijken grootvader ge- 
heten werd, en jaren en de tijden wel overeenkomen, 
krijgt dat een groote graad van waarschijnlijkheid. 

De afgezette Everhard kan., wat de jaren betreft, een 
zoon geweest zijn van Ruthard , maar dat komt niet 
overeen met hetgeen men meldt van diens kinderloos 
overlijden. Hij en zijne vrouw toch schonken volgens 
de Hist, de l'Egl. de Strasbourg , al wat zij te Etten- 
heim bezaten aan de kerk te Straatsburg omdat zij 
geen kinderen hadden. Is dat zoo , dan kan hij niet 
zijn Brunharius, vader van Wracharius of Everhard I, 
maar dan vervalt ook daarmede alle afstamming van 
Everhard I uit het Ettichonische geslacht, want 
Everhard I is evenmin geweest een zoon van Alberic 
graaf van Nordgou. 

Ik heb gedacht, dat de in 726 van zijne bezittingen 
in de Betuwe ontzette Everhard een zoon was van 
Ebroin, doch daar men diens zoon vermeld vind met 
den naam van Bovo, kan dat niet worden aangenomen. 
Evenmin kan hij diens kleinzoon geweest zijn. Mogelijk 
was hij een zoon van den Hofmeier Bercharius, wiens 
dochter Adeltrudis gehuwd is geweest met Drogo, 
zoon van Pepijn van Herstal, en aan wien door I. M. 
Kremer ook een zoon wordt toegeschreven, Hatto of 
Otto, uit wien o. a. het geslacht van Nassau zal 
gesproten zijn. 

Brunharius was ongetwijfeld in Hameland gegoed, 



Digitized 



by Google 



159 

of bezat daar de goederen te Wichmond, over welke in de 
oorkonde van 9 October 794 door zijn zoon Wracharius 
beschikt werd. Dat die Wracharius dezelfde persoon / 
is als EvERHARD blijkt, daar onder de onderteekenaars 
diens zoon Meginhard voorkomt. 

Daar met Everhard I de reeks graven aanvangt, die 
in Nordgou en Hameland zeer zeker tot hetzelfde ge- 
slacht behoorden, bepaalt zich de verandering die door 
deze onze conjectuur noodig is, slechts hiertoe, dat 
sedert Everhard I de graven in Nordgou niet behoorden 
tot den Ettichonischen maar tot den Ottonischen stam 
der Saliers. 

Ten tijde van Everhard I, of diens zoon Meginhard, 
heeft in Hameland een ander aanzienlijk heer geleefd, 
die mogelijk van dezelfden stam was. Oodhelmus, de 
zoon van Oodwerk, gaf in 797 en 799 goederen in de 
IJsselgoü en Noord twenthe van de kerk te Wichmond. 
Wij kunnen voor 's hands niets anders doen, dan de 
aandacht op dezen vestigen. 

Later, in het midden der tiende eeuw, ziet men 
Hameland gesplitst in twee deelen , een noordeUjk en 
een zuidelijk. In het zuidelijke staat een graaf uit het huis, 
wij zullen maar zeggen van Nordgou, het noordelijke 
onder een graaf van Lahngou. Die verdeeling kan 
hebben plaats gehad tusschen twee zoons van den 
Hofmeier Bercharius, wij stelden die te zijn Everhard 
en Otto. 

Bij I. M. Kremer die in zijne Origo ü\iass(/ka- 
rum Otto stelt zoon van den hofmeier Bercharius, 
is de opvolging van diens afstammelingen tot 
Gebhard, den stichter der abdij van Kettenbach 



Digitized 



by Google 



i6o 

in 845 , verre van onbetwisbaar. Hij laat vier 
Otto's vader , zoon , kleinzoon en achterkleinzoon 
als graven van Worms, de laatste ook als graaf van 
Lahngou en Trier, op elkander volgen. Mogelijk echter 
is het, dat de voorvaderen van Gebhart, sedert Bercha- / 
Rius graven geweest zijn in het noordelijk gedeelte 
van Hameland, 't welk sommigen hebben goedgevonden 
Saksisch-Hameland te noemen, tenzij Everhard van 
Lahngou door zijn huwelijk met Amalrade, wier moeder 
van Friesch-Deensche afkomst is, zijne Hamelandsche 
graafschappen in het einde der achtste eeuw verkreeg. 

De vader van Amalrade wordt in het leven van 
bisschop DiEDERiK, door Sigebertus Levita genoemd 
hertog DiEDERiK , een afstammeling van Widukin of 
WiTTEKiND, en in het leven van Koningin Mathildis, 
hare zuster, wordt hij genaamd Diederik graaf in de 
westelijke streek (in occidentali regione). Hiermede 
zal een gedeelte van Nederland bedoeld zijn , en werd 
onder zijne zoons een Diederik vermeld, dan zou de 
verzoeking groot zijn hem in Holland of Vlaanderen 
te plaatsen. Sigebertus noemt echter zijne zoons 
Widukin, Immed en Reinbern. 

De groote Balthasar Huydecoper heeft, naar wij 
meenen afdoende, aangetoond, dat de brief bij welken 
Koning Lodewijk het foreest Wasda, dat grootendeels 
gelegen was in het graafschap van Diederik, aan dien 
graaf in eigendom geschonken wordt, gegeven is in 
het jaar 849 en niet in 868. 

De heer van Bolhuis stelt dien brief tusschen 966 
en 969, maar hij nam ook als bewezen aan, dat de 
Diederik die dit foseert verkreeg een zoon was van 



Digitized 



by Google 



i6i 

den Frieschen graaf Gerolf. Hij maakt geen gewag 
van het bondige betoog van Huydecoper. Het land 
van Waas behoorde tot de oudste bezittingen der 
graven van Holland. Het werd door Floris III aan den 
graaf van Vlaanderen afgestaan. ' 

Het jaar 849 stemt ook zeer goed overeen met het 
feit, dat in 884 een graaf Diederik naar Italië gezonden 
werd, om den Keizer te hulp te roepen tegen de Noor- 
mannen, die verwoestend over de Schelde getrokken 
waren. Dit was 35 jaren na 849, en Diederiks leeftijd 
behoeft toen niet hooger dan 60 jaren gesteld te 
worden, als hij, geboren in 825, op een leeftijd van 
24 jaren Wasda verkreeg. 

Beka zegt, dat, ten tijde van bisschop Hunger van 
Utrecht, het klooster te Egmond door de Noormannen 
verbrand is, alzoo tusschen 856 en 866. De kerk en 
het klooster zijn herbouwd door een Diederik. Van 
Spaen nam dat aan. 

Een tijdgenoot van Diederik, die in 849 en 884 
bekend is, was Walgher, zoon van Adelhelmus, moeders 
broeder van Eudes graaf van Parijs, op wiens last hij 
in 892 onthoofd werd. Hij had met anderen een op- 
stand tegen dezen ondernomen en zich te Loudon, in 
Poitou, versterkt. In de Ann. Vedastini wordt hij ge- 
noemd een bloedverwant van Boudewijn van Vlaanderen. 

Graaf Boudewijn schaakte Judith, dochter van Karel 
DEN Kale. De Koning was daarover zeer vertoornd 
en HiNGMAR, bisschop van Metz, schreef bij die gelegen- 
heid aan bisschop Hunger en den Noorman Rorik, 
die toen in Friesland het grafelijk gezag bezat, om 
hen aan te sporen, dat zij Boudewijn niet zouden ont- 

II 

Digitized by LjOOQIC 



102 

vangen noch hem eenige hulp verleenen, iets wat 
onnoodig was, als Hincmar niet vermoedde, dat Boudewijn 
zich tot hen wenden zoude. In 86 1 kwam de ver- 
zoening tusschen den Koning en den graaf tot stand. 

Ik zal hier deze stof niet verder uitwerken, mij 
vergenoegende er op te wijzen, dat de HoUandsche 
graven uit het eerste huis, hoogst waarschijnlijk stamden 
van een graaf in het tegenwoordige Vlaanderen. 

Algemeen neemt men aan, dat de vader van Keizerin 
Mathildis en gravin Amalrade geweest is Theodericus 
markgraaf in Saksen, die in 983 werd afgezet en in 
985 stierf, anderen stelden hem graaf van Oldenburg 
of Ringelenberg. 

Wat daarvan zij, in geen geval heeft men aanleiding 
te besluiten, dat hij graaf is geweest in Hameland, 
terwijl, daar hij drie zoons had, vermoedelijk weleen 
van deze, en niet zijn schoonzoon, hem in de Hame- 
landsche graafschappen zou hebben opgevolgd. 

tot gemakkelijker overzicht der gemeenschappelijke 
afstamming diene dit lijstje. 

Otto stierf 642. 

Ebroin , hofmeier, bERCHARius, 

vermoord in 681. stierf in 692. 

Bovo. Otto 756 Everhard. 

Zie I. M. Kremer Zie Sloet n**. 7. 
Orig, Nasoic. ' 

B runhar ius. 

Everhard I. 
graaf in Hameland 
en Nordgou. 



Digitized 



by Google 



163 

V. 

*) Neftesheim. Geschichie der Stad und des Ambten 
Geldern. Crefeld 1863. 

*) Door huwelijken en koop. 

*) Lacomblet in zijn genealogisch overzicht voor het 
derde deel zijner oorkonden, s. XIX. 

In Meurs lagen de heerlijkheden Frimarsheim, Crefeld, 
Krakau en Bod berg. In het ambt Reinberg de heer- 
lijkheden Ossenberg en Alpen en de abdij Camp of 
Altenkamp. 

*) MiRAEUs Donal. Ptarum. XV. 

VII. 

*) Die goederen behoorden aan St. Maarten te Utrecht. 
Dat stift ontving terug eene curtis te Willere met de 
kerk te Bochem en de halve kerk te Fischelo. 

*) «Balduinus XV Trajectensi Episcopus est electus, 
filius quidam tradunt Rixfridi comitis Clivensis qui 
princeps erat egregius." 

Beka in ^alderico episcopo , Buchelius teekende 
daarbij aan : 

«Heda dicit oriundum sanguine comitum Clivensium, 
patre Rixfrido excomite, Bockenbergius Lutgeri vel Lut- 
hardi decimi Clivorum Reguli filium Balduini comitis 
fratrem facit et Vuig. Ghron.-Cuspinianum in Arnulphi 
Imp. sic habet, nescio quo authore de liberis ejus 
eloquens : Ilepperi ejus quoque filiam, sed ex qua uxore 
ignoro Bertham: quam Luthardus ejus nomine primus 
comes Clivensis, filius Everhardi, uxorem duxit duosque 
filios et ei reperit Balduinum ï. XI comitem clivensem 

Digitized by LjOOQIC 



164 

et Rixfridum patrem Waldrici Episcopi Trajectensis. 
Onulphrius hanc Bertham ignorasse videtur. Gum Cuspi- 
niano fere convenit Teschemakerus parte c. Annal. 
Clivensium etc, nisi quod Episcopum nostrum nominat 
Dalduinum" 

Alzoo : Lotharius eerste graaf van Cleve huwde met 
Hertiia dochter van Keizer Arnulf , bij welke hij won 
DouDEWijN I, graaf van Cleve, en Rixfried vader van 
BouDEWijN of Balderik bisschop van Utrecht. 

Arnulf was gehuwd met Oda dochter van Otto graaf 
van Lahngou en Rotrudis dochter van Keizer Lotharius I. 
LuTiiARDUs eerste graaf van Cleve zou geweest zijn zoon 
van zekeren Everhard. Gelijk wij zullen zien waren 
niet een, maar zelfs twee Everhards gehuwd met 
vrouwen die Bertha heetten, maar op het eind der 
loe eeuw. Arnulf huwde omstreeks het jaar 892, alzoo 
kan geen van deze Bertha s zijne dochter geweest zijn. 
W. IIeda in vila ^alderici zegt: Baldericus ob egregia 
sua facinoracognominatus Pius, nobili sanguine praefec- 
torum sive comitum Clivensium oriundus , patre ex- 
comite, post RadbodemdignitatemcathedraeEpiscopalis 
Trajectensis XV assequitur. 

VIII. 

«) Bij Alpertus, De diversüate lemporum I, cap i. 

•quamvis loco nobilitatus, genere tamen (vilis.^ 

humilis ?) » Alpertus was Balderik bepaald vijandig. 
Al wat hij tot nadeel van Balderik kon aanvoeren 
teekende hij op. Er mogt niets goeds van Balderik 
overblijven. In het Oorkonden boek van Bn. SLOETzijn 



Digitized 



by Google 



i65 

de bronnen voor de geschiedenis van Balderik ver- 
zameld. Bij VAN Spaen kan men die geschiedenis in het 
Hollandsch vinden. 

*) Godfried I vsrerd door Keizer Otto I benoemd tot 
hertog van Neder-Lotharingen in 959. Hij liet vier zoons 
na en eene dochter Gerberg, gehuwd aan Mengosus 
stichter van het klooster te Vilich. Zie de stamtafeien. 

Godfried II, oudste zoon van Godfried I, volgde zijn 
vader op in 964. Hij stierfin 976 zonder afstammelingen. 
De echtgenoot van praefectus Godfried zal eene dochter 
geweest zijn van Godfried I en alzoo zuster van 
Mengosus, vrouw. 

') Alpertus , De diversitate lemporum, noemt Balderik 
en Unroch, «Anno 1006 Tiela depredata est per piratos.» 
Ann. Colonienses bij Pertz. <Mon. Script, I p. 99. 

*) In de levensbeschrijvingen van bisschop Adelbold 
bij Beka en Heda komt niets voor van deze veten. 
Beka zegt, dat een graaf Godizo 9 Juni 1018 tegen graaf 
DiEDERiK van Holland sneuvelde. In een brief van Koning 
Hendrik , gegeven in 1064, ^^ vinden bij Heda in de 
Vïta Wilhelmi Episc XXI, vindt mön dat het graafschap 
Bodegraven in leen bezeten werd eerst door Wirich of 
Unroch, daarna door Godizo en vervolgens door Dirk 
Bavo. Daar Dirk Bavo in i 01 5 uit Bodegraven verdreven 
werd , was zijn voorganger Godizo zeker daar geen 
graaf in 1018, maar is naar alle waarschijnlijkheid 
reeds eenige jaren vóór loi 5 overleden. Later zal blijken 
vermoedelijk in 10 11. 

In het leven van bischop Meinwerk wordt ge- 



Digitized 



by Google 



i66 

meld , dat zijn broeder graaf Diederik 7 April 1014 
op lasi van zijne moeder, Balderiks vrouw, teUplage 
vermoord is. Zou die graaf Diederik niet zijn dezelfde 
persoon als de Dirk Bavo van Beka? De jaren komen 
wel niet overeen, maar het verschil is niet groot. Ook 
wordt getwijfeld aan de waarheid van dezen gruwel. 

*) Eene noot bij van Spaen Inl. I 128 luidt: 
wBaldericus comes instituit castrum Zehlem inter 
Niel et Meer Duffliae, dejecto hoc castro , .cum ipsius 
lapidibus erexit Monasterium ordinis St. Benedicti , 
nunc vero canonicorum Sifflicensium, quöd amplissimis 
reditibus fundavit et donavit. De cujus prosapia Theo- 
DERicus comes Einsae fratres Alardus et Gerardus cum 
eorum posteritate sexus utriusque in antiquisimo 
Missale Ecclesiae de Meer inveniuntur. Cl, M. S. aanteek. 
Vergelijk Hoppe Beschr. van Cleef. c. 19. Slichtenhorst. 
p. 69. Teschenmacher L. I. 

*) Uit verschillende oorkonden leert men bezittingen 
kennen van Balderik en Adela. De meeste dier goederen 
waren ongetwijeld afkomstig van Wichman den vader 
van Adela. Behalve goederen beoosten den Rijn vindt 
men Antwilre bij Leuvenich , Mereheim bij Keulen , 
Stockeim, Stockum aan de Maas, Stockem bij Wesel 
of Stockum bij Duren, Puira: Pier bij Aldenhoven 
bewesten de Roer. 

^) J. C. DiTMAR , professor in de geschiedenis te 
Frankfort. Men zie over dezen Lacomblet UrL I. 
Vorbericht V. 

•) Van Spaen meende , dat die zuster te Kleef woonde. 

Digitized by LjOOQlC 



ï6j 

Kleef is niet bekend voor de Xle eeuw. De parochiekerk 
is gewijd aan St. Jan. Kerkelijk behoorden onder Kleef 
Houw, Reesput en Materborn. 

Mogelijk heette de slotberg te Kleef vroeger Meregelpe 
en was een eigendom van Balderik, want hij behoorde 
in II 17 aan Syflik, van welke stichting aartsbisschop 
Frederik van Keulen hem toen door ruiling verkreeg. 
Op a8 December 11 43 was de berg Mergelp in het 
bezit van het klooster te Bedbur, en 1223 wilde graaf 
DiEDERiK van Cleve op den berg een slot bouwen , 
waartoe hij de toestemming van den aartsbisschop 
behoefde , welke hij verkreeg door het slot open 
huis en leen te maken voor dien praelaat. 

De hofkapel te Kleef werd 1250 gewijd aan St. Ni- 
colaas. Kleef verkreeg eerst in 1242 stedelijke rechten, 
en derhalve zal het slot op den berg te Kleef niet 
voor het midden der 1 3e eeuw gesticht zijn. Men kan 
een jaar aannemen tusschen 1223 en 1250. Zie over 
Kleef, dr. A. Scholten, Die Stadt Cleve. 

Mogelijk heeft op den berg in den Romeinsche tijd 
een landhuis gestaan, of een verblijf tot vermaak van 
de Romeinsche bevelhebbers in deze streek. Hou is /" 
misschien Houberg, een der zetels van Balderik. Graaf 
Ebroin woonde te Rinderen. Zekerheid dat het slotte 
Kleef gebouwd is op den berg Meregelpe zou bestaan, als 
men wist , dat dit slot ooit geweest is een Keulsch 
leen, bij Lacomblet is daarvan niets te vinden, 't geen 
echter niet het tegendeel bewijst. 

Waarom noemden zich de graven van Cleve niet 
b. V. naar Monterberg waar ze vroeger woonden ? 
Ik vermoed, dat te Kleef het veld gelegen heeft op 't welk 



Digitized 



by Google 



i68 

van ouds de volksvergaderingen gehouden werden, en 
het bezit van die gerechts- en vergaderingsplaats een 
vereischte was om graaf te zijn Later, bij het verdwijnen 
der gouen, werd de gewone zetel van den graaf als 
hoofdplaats van zijn gebied beschouwd. Dit kon niet 
het geval zijn toen er nog geen steden of sloten be- 
stonden. Al wordt dan de naam van Cleve eerst be- 
trekkelijk laat genoemd, toch is ongetwijfeld die plaats 
zeer veel vroeger bekend geweest , want een oppidum 
ontstond toen ter tijd niet in een paar jaren, langzaam 
ontwikkelden zich toen nog dorpen en steden uit hoven. 

Deze onze stelling is ook toepasselijk op Nassau. 
Ook daar ligt het slot op den berg, en is gebouwd 
nadat reeds graven van Nassau bekend waren. 

De gerechtsplaatsen lagen ongetwijfeld niet op die 
bergen, maar zeer in de nabijheid, op de vlakte, 
mogehjk zijn ze later marktpleinen geworden, of lagen 
die plaatsen buiten de stad. Misschien is daarvan te Kleef 
en te Nassau nog wel iets op te sporen. 

IX. 

*) Bondam in de voorrede van zijn Charterböek gist, 
dat GoDESCALK gehuwd met Adelheid, heer van Zutphen 
een zoon geweest is van dezen vVichman. Het is echter 
niet bekend dat Godescalk bezittingen had in de buurt 
van Vreeden. Van Spaen kwam daarop terug, InL I. 
bladz. 171. 

Waarschijnlijk is Godescalk graaf geweest in Twente. 

Het eerst zouden de heeren of graven van Loon in 
Westphalen in aanmerking komen als afstammelingen 



Digitized 



by Google 



169 

van WicHMAN, en van Spaen was aanvankelijk daartoe 
genegen, doch gaf die meening op daar Vreeden noch 
Boekholt door die heeren zijn bezeten {InL I 196). 
Evenwel, in 1085 ontving de abdij van Vreeden van 
aartsbisschop Koenraad van Keulen, het wereldlijk gericht 
van Vreeden, en de zetel van den graaf werd toen 
mogelijk naar Loon verplaatst waar onder Bisschop 
Wernher van Munster een slot gebouwd werd , dal in 
beneficium is gegeven aan Godescalk van Loon in 1 1 52. 
Maar in 1 08 5 lag Vreeden in de graafschap van Gerard, 
vermoedelijk graaf van Wassenberg. {Sloet Oor k. 189, 
noot). Daar Vreeden toen aan het stift kwam, was waar- 
schijnlijk het geslacht van Wichman, althans in de 
mannelijke lijn , uitgestorven. 

*) Niet alle goederen in Westphalen, die op de lijst der 
bezittingen van den graaf van Dalen in 1 188 voorkomen, 
behoeven behoord te hebben tot de nalatenschap van 
JoLANDE, daar haar zoon, Gerard van Dalen, gehuwd is 
geweest met Sophia van Ravensberg. 



X. 



^) Zie VAN DER Aa, Geographisch woordenboek op 
Vianen , Monnikhof en Zevenaar. 

Het kapittel van St. Marie te Utrecht verkocht aan 
Otto, graaf van Gelre, het derde gedeelte zijner goederen 
tusschen Lek en Linge en zijne curtis Zevenaar 28 
December 125S, 

Otto van Gelre voorziet in het geval dat Clementia, 
weduwe van Arnold, genaamd Pape, of hare kinderen 



Digitized 



by Google 



de curtis Zevenaar, die hij van het kapittel van St. 
xMarie gekocht had , mocht verliezen , 9 April 1256. 

DiEDERiK I bisschop van Utrecht , bekrachtigt den 
verkoop van het kapittel van St. Marie aldaar gedaan 
aan Otto, graaf van Gelre, van de goederen te Zevenaar 
en in het broek van de Bisschopgraaf tot aandeZederik 
en van daar tot de Trichtsche Sluis, i^ Juni 1257. 

Leksmond en Lanxmeer zijn 21 November 1281 
eigendom van graaf Reinoud van Gelre. 

Dit Zevenaar moet niet langer verward worden met 
Zevenaar in de Lymers, dat in 1261 als allodium bezeten 
werd door Dirk Loef van Cleve , gelijk tot nu toe 
gedaan is. Dat Zevenaar was tusschen 1047 en 1056 
in eigendom geschonken aan Anselmus van Molsberg, 
zoon vanWicHARD van Molsberg en vermoedelijk van Pont. 

BucHELius teekende aan bij IJsselstein (zie het leven 
van Wilhelmus Episc. XXXXI van Beka , 1 296-1 301) 
Oppidum vero tune temporis adhuc nuUum erat, quod 
Stokius videbatur indicare sed loei jurisdicti (E3rteren 
vocabatur) a capitulo Mariano clientelari jure pendebat. 

*) De oorlog tusschen Utrecht en Holland is niet 
begonnen voor dat Adelbold bisschop van Utrecht 
werd , alzoo niet voor 1009. 

Unroch was een dapper man , die , voor hij graaf 
van Teisterbant was, met lof in Italië voor Keizer Otto 
gestreden had. ïn 1006 of 1009 had hij metBALDERiK 
het bevel over troepen, die tegen de Noormannen naar 
Tiel gezonden werden. ïn loio was hij tegenwoordig 
bij de begrafenis van zijn bloedverwant bisschop 
Ansfried. 



Digitized 



by Google 



171 

Wie hem in Teisterbant heeft opgevolgd blijkt niet. 
Zoo hij tegelijkertijd met Godizo gesneuveld is, zeker 
niet Godizo. Beiden zijn dan tegelijkertijd graven geweest, 
de een in Teisterbant de ander in Bodegraven. De 
Noormannen deden in loio een inval in het Sticht 
van Utrecht , mogelijk zijn beiden toen gesneuveld. 

') Zie de stamtafel van Bn. Sloet, OorA. bladz. 302. 

Irmgardis was eene dochter van Meginfried van Susa 
en is gehuwd geweest met Egbert van Brunswijk , 
halve broeder van Koning Hendrik III. 

*) Hierdoor wordt de betrekking verklaard die bestond 
tusschen Irmgardis gravin van Zutphen en Herman 
graaf van Zutphen tot Adelheid echtgenoot van 
GoDESCALK. De toestand is namelijk deze : Machteld , 
dochter van Otto, heer en graaf van Zutphen, bragt 
de heerlijkheid Zutphen ten huwelijk aan Ludolf zoon 
van paltsgraaf Ezo, hunne dochter bragt Zutphen ten 
huwelijk aan Godescalk. Geld. Volksalmanak 1887 
blad. 114. 

*) Heda in vita ^urchardi. Ep. XXIII (iO()C)'i 11 2) 
zegt: «Cujus genealogiam non inveni.» 

*) Paringet. (Memoriaal of beschrijving der stad Grave. 

■') Fahne geeft in zijn Salm, en andere werken, ge- 
deelten van genealogiën en de wapens van verscheidene 
geslachten die Rode, Rothe, enz. heetten, geen echter 
dat hier past. 

XI. 
') Het getal der plaatsen van dien naam is legio, 

Digitized by LjOOQIC 



172 

daar wij niet in het bezit zijn van lijsten der goederen 
van Vilich zullen we zelfs geen gissing wagen. 

•) Van Spaen, InL II, bladz. 150 zegt, dat, voor 
zooveel men weet , de graven van Gleiberg afstamden 
van Frederik, derden zoon van Siegfried heer van 
Lurenberg. Wij weten niet waar hij dat gevonden 
heeft. Nergens wordt een Siegfried van Lurenberg 
aangetroffen , wel een Siegfried van Isenburg , vierde 
zoon van Reinald I, die door huwelijk in het huis 
van Arnstein de oude Arnsteinsche goederen verkreeg 
(Kremer Orig. Nassoic. 1 , 265 , noot). Verder zegt 
VAN Spaen, dat eene erfdochter in het midden der 14e 
eeuw Gleiberg en Meeren berg door huwelijk bracht 
aan Johan I , graaf van Nassau , zoodat , volgens hem, 
die graafschappen in het begin dier eeuw vereenigd 
waren. Gleiberg was intusschen reeds in het begin 
der voorgaande eeuw eene bezitting van het Tubingsche 
huis , en geldt hetgeen hij zegt alleen van Meerenberg. 
Gertrudis, dochter van Frederik van Gleiberg, de 
laatste uit het geslacht Gleiberg , huwde met Rupertus 
van Nassau, zoon van Waleram, kleinzoon van Ru- 
pertus Bellicosus. 

') Kremer zegt, dat Giesen een bezitting is geweest 
van Mengosus. Op welke gronden vindt men echter 
bij hem niet en wij onderstellen, dat hij zich gedeeltelijk 
vergist heeft , dat zij gedeeltelijk eene was van zijn 
broeder Hugo. 

*) Tusschen 1047 en 1056 schonk Keizer Hendrik II 
aan zijn getrouwen Anselmus een praedium in de villa 



Digitized 



by Google 



173 

Subenhare in de graafschap van Weselo, in vollen 
eigendom. Anselmus heer van Molsberg was een zoon 
van WicHARD, — volgens Kremer zoon van Otto en 
Aleidis dochter van Wichard van Pont of Gelre — de 
fameuse Otto van Nassau graaf van Gelre. 
Wij komen op dit onderwerp later uitvoerig terug. 

*) In eene oorkonde van 7 Juni 11 29 komt voor 

eene Clementia van Gleiberg, echtgenoot van Gerard 

van Gelre, 't welk in dien tijd eene onmogelijkheid 

is. Misschien was zij eene dochter van Gerard van 

Gelre en gehuwd met een graaf van Gleiberg In 1141 

leefde zij nog met hare kleinzoons Otto en Willem 

en in 11 31 teekende een Wilhelmus comes de Gleiberg. 

Mogelijk moet men in den brief van 11 29 lezen 

«fratris» in plaats van «mariti» en was toen haar 

echtgenoot reeds overleden. Dat haar kleinzoon graaf 

van Gleiberg was, ondersteunt zeer dit vermoeden. 

Zie Fahne, Salm ƒ, i. S. 47. 

«) Fahne geeft in zijn Bockoltz ƒ, i. s. 270 eene 
stamlijst waarin men vindt : Irmentrudis gehuwd met 
DiEDERiK hertog van Lotharingen en Moselanie, vader 
van Frederik , hertog van Lotharingen , vader van 
Hendrik , hertog van Lotharingen , en Albero , bis- 
schop van Mets die stierf in 1072 , en in zijn Salm. /, 
I . s. 47 , eene andere lijst , waarop vermeld : Frederik I 
graaf in Hessen en aan de Moesel, stierf 1019, was 
gehuwd met Irmentrudis , kinderen : Hendrik voogd 
van Echternach en Maximinus , hertog van Beieren , 
stierf 1047, Frederik II hertog in Neder-Lotharingen , 
markgraaf van Antwerpen, stierf 1065. Giselbert graaf 



Digitized 



by Google 



174 

van Salm en Luxemburg, stierf omstreeks het jaar 1058, 
Adalbert, bisschop van Mets, stierf 1072, Siegebert 
stamvader der graven van Saarbrück en Diederik 
waarschijnlijk stamvader der graven van Gleiberg. 

XÏI. 

^l Het afschrift moet gemaakt zijn na 1093, ^^^^ 
eerst toen wordt melding gemaakt van een graaf van 
Cleve, mogelijk veel later. De afschrijver heeft allicht 
den naam Cleve in de plaats gesteld van een anderen , 
omdat hij dien beter begreep of vermoedde dat hij beter 
begrepen zou worden door hen, voor wien hij zijn, 
over het geheel slordig, afschrift maakte. 

*) Het artikel in rArt de vérijier les dates ge- 
schreven door den Abbé Grandidier luidt als volgt: 

1000. Eberhard VI succeda a Ugues son frère, 
dans Ie comté de Nordgaw. Il est nommé en cette 
qualité dans Ie privilege d'OrxoN III, pour Tabbaye 
de Lauresheim de l'année 1000 (Lamey, in Cod, Laurenh. 
T>ipL t, I^ p, 148). Il prend encore Ie même titre dans 
deux dipiomes de l'empereur Henri II, de 1004 et 
1006, pour les abbayes d'Andlau en de Schuttern. Il 
déceda, comme son frère, sans posterité, sa femme 
Berthe vivait encore en 1068. 

Wij hebben deze oorkonden niet gezien, mogelijk 
is in die van Lauresham wel iets te vinden dat be- 
trekking heeft op Cleve of Meurs. 

*) Vermoedelijk Weselo of Wernher graaf in Lahngou 
en Hameland. Grandidier zegt in zijne lijst der graven 
van Nordgou : 



Digitized 



by Google 



175 

1027. Wesilon Comte de Nordgou , ne nous est connu 
que dans un diplome de Conrad II donné en 1027 , 
a l'Abbaye de Payerne, dans laquelle il est rappelé. 
Hergott, Tom II, p, 128. 

Óver het algemeen zijn de artikelen in rArt de 
vérijier les dates uitstekend critisch bewerkt , evenwel 
zijn ook hier vele gebreken. Wij hebben bij het schrijven 
van ik De graven in Hameland ,» voor Nordgou de (Jp- 
gaven van Grandidier tot grondslag genomen. Wij 
hebben sedert onderzocht, en kwamen op vele punten 
tot een ander gevoelen. 

Volgens I. M. Kremer sneuvelde Wernher II van 
Lahngou in 1 066 ; was de Wesilon in Nordgou diens 
vader, dan zal deze geleefd hebben tot 1035, want 
in dat jaar vindt men een Hugo graaf in Nordgou , 
dien Grandidier stelt een zoon van Hugo 1(951 — 984). 
Kremer stelde de dood van Wernher I tien jaar later. 

Hoe Wesilon graaf in Nordgou geworden is blijft 
onzeker. Was hij gehuwd met eene dochter van Ever- 
hard VI? Hoe kwam het dan, dat geen zoon hem in 
Nordgou opvolgde? Hugo was gehuwd met Hedwig 
dochter en erfgenaam van Lodewijk van Dabo of 
Dagsburg. Mogelijk was hij gedurende eenigen tijd 
graaf, als voogd over een minderjarige. 

♦) Dat hij betrekking gehad heeft op Nordgou is 
wel zeker, daar de door Grandidier vermelde gravin 
Bertha, die in 1068 nog leefde, zijne vrouw geweest 
is en niet die van Everhard VI. 

*j In die gou, de Molengou, vinden we honderd 

Digitized by LjOOQIC 



176 

jaar vroeger Ehrenfried. Molbach en Norvenich worden 
voor identiscti gehouden. Herman van Norvenich komt 
voor in 1028, Adalbert tusschen 1094 en 1141. Kremer 
geeft in zijne Orig, Nass. I j p. 192 een geslachtstafel 
van dit huis (Nuringen) en daarop komt geen Herman 
voor, wei Hetzel na 1032. 

In een brief van 1064 vindt men ais getuigen Palts- 
graaf Herman, graaf Everhard, graaf Herman en zijn 
zoon, graaf Unroch, enz. Op de lijst van personen 
achter dat ie deel zijner Urk (de brief n°. 201) noemt 
Lacomblet Unroch zoon van Herman en Adolf vader 
van Herman ; die lijsten zijn echter zeer gebrekkig. 

•) Het huis Cleve bevat eigendommen buiten de gren- 
zen van het graafschap, later hertogdom ; dit spreekt 
van zelve, 't was 't geval met alle vorstenhuizen. Toch 
waren de vorsten er op bedacht hunne bezittingen af 
te ronden, en verkochten en ruilden daarom bezittingen 
buiten hun gebied, om aangrenzende en enclaves te 
verwerven. 

XIII. 

>) Zie over hen van Spaen O. Inl. II , bladz. 16 en 
volgende. Van Berchem neemt geen voogden aan in 
zijne geschiedenis, wel in zijn Chronica brevis. 

Wanneer men dergelijke lijsten onderzoekt, zalmen 
tot het besluit komen , dat namen en jaartallen door 
elkander gehaspeld zijn en twee of meer huizen ver- 
ward, zooals hier Gelre en Zutphen. Blijkbaar heeft 
men te doen met mislukte pogingen , om eenheid te 
brengen in de verschillende fragmenten , terwijl men, 



Digitized 



by Google 



177 

\iit gebrek aan echte oorkonden zich bediende van 
alle gegevens , die onder het bereik des opstellers vielen. 
Daarbij kwam onkunde; men kende noch goed ge- 
schiedenis, noch goed aardrijkskunde. Men verwarde 
personen en plaatsen. Men bezat toen nog niet de 
hulpmiddelen, die ons nu ten dienste staan. Toch moet 
men met zulke lijsten en met chronieken rekenschap 
houden, in zooverre ze soms aanleiding kunnen geven 
tot eene of andere ontdekking. 

*) Deze Gerlach behoorde in Zutphen te huis. Hij 
was graaf van Godesberg en broeder van Wernher II. 

') Die tweede Otto zal wel, even als de derde, moeten 
geschrapt worden. 

*) Gerlach, die volgens deze onderstelling in 1018 
sneuvelde , zal terecht de laatste graaf van Zutphen 
uit dit geslacht genoemd zijn , aangezien zijn zwager 
LuDOLF, die daar reeds de heerlijkheid bezat, ook het 
graafschap verkreeg. Na Ludolfs dood moet het graaf- 
schap gekomen zijn aan zijn broeder Otto, die, toen 
hij in 1045 het hertogdom Zwaben verkreeg, afstand 
deed van zijne graafschappen. Otto stierf in 1047 op 
het slot Tomburg, dat we later onder de Kleefsche 
bezittingen terug vinden en werd te Brouweiler be- 
graven. 

1046 kwam het graafschap Zutphen met het land 
van Deventer aan de Utrechtsche kerk. Toen werden 
graven in Zutphen eerst Rupertus en vervolgens diens 
zoon Herman. 

Adelheid , dochter van Lüdolf en Mathildis, vrouw 
van graaf Godeschalk was , gelijk gezegd is , erfvrouw 



Digitized 



by Google 



van Zutphen. Nadat graaf Herman in den geestelijken 
stand getreden was , werd haar zoon Otto graaf van 
Zutphen. Deze stierf zonder oir in 1113 en werd op- 
gevolgd door zijn broeders Hendrik als graaf en Diederik 
als heer. Deze graaf schijnt verkregen te hebben los- 
making van den Utrechtschen leenband en het graaf- 
schap als, ook in de vrouwelijke lijn overgaand erfgoed. 
Door hunne zuster Irmgardis werd de heerlijkheid en 
het graafschap Zutphen overgebracht in het huis van 
Gelre. De graven, later hertogen van Gel re bleven 
zich altijd noemen graven van Zutphen bij hun anderen 
titel, hoewel administratief het graafschap vereenigd 
was met hunne overige landen. Ongetwijfeld omdat 
zij wegens dat graafschap door geen leenband , aan 
wien ook, verplichting hadden. 

•) Graaf Otto II met den paardenvoet, is de eerst 
bekende Geldersche graaf, die den ongekroonden een- 
staartigen leeuw in zijn zegel nam. Otto I en zijn 
zoon Gerard zegelden met drie roode rozen of mispel- 
bloemen in goud. In den beginne zegelden de graven 
van Cleve met den leeuw in 't schild: Diederik IV en 
zijn broeder Arnold. Ook Antoing voerde in rood den 
zilveren leeuw. Een zegel der graven van Nordgou is 
ons nooit voorgekomen. 

XIV. 

*) tMon. Scrip, XVI. Zie voor dit onderwerp het frag- 
ment in het Oorkondenboek van Bn. Sloet n°. 150. 
Dit standaardwerk is mogelijk het beste in zijne soort. 
Daar alle weelde bij de uitgaaf vermeden is , is het 



Digitized 



by Google 



179 

daarbij ook voor weinig bemiddelde beoefenaars der 
Geldersche geschiedenissen bereikbaar. Van Spaen zegt 
InL 11^ bladz. 90, dat het handschrift op perkament 
geschreven is omstreeks het jaar 11 54. 

*) Antoing. De heeren van Antoing stamden volgens 
de genealogen af van de burggraven van Gent. 

Adalbert , zoon van Aernoud de Gentenaar , graaf 
van Holland, zou de stamvader zijn van die burggraven. 
Daar Diederik III, zoon van Aernoud, regeerde van 993 tot 
1039 kan Adalbert, moeilijk de vader geweest zijn van 
Gerard en Rudger. Beter komt met tijd en geschie- 
denis overeen , dat hij tot hunne vijanden behoorde. Te 
Antoing zelf heb ik te vergeefs licht gezocht. Wat hier 
wordt gegeven berust op artikels in de woordenboeken 
van MoRERi en anderen. Bij Vredius vindt men bijna 
niets van Antoing. Ik meen , dat vroeger de heeren van 
Antoing afstammelingen waren van Everhard, wiens teS" 
tamentMiRAEus in zijn werk Diplomatica, Tom. I. cap. XV, 
ofschoon zeer slecht, heeft uitgegeven. Everhards zoon 
Adelart verkreeg de curtes Cisoing, Confin en Summim 
in de buurt van Doornik. Bij Miraeus, SupL Pars 
Tertia c. 7. vindt men eene oorkonde waarin ver- 
klaard wordt, dat de edelman Amurricus met zijne 
beide broeders aan de abdij van Cisoing geeft zijne 
villa Arboreta, in het jaar 968. 

*) Zie de Ann. ^hodenses. Van Spaen vermeldt, InL I. 
Ayelbertus stichtte een klooster bij Doornik, St. Nicolas 
des Prez, dat in 11 26 door bisschop Nicolaas werd 
voltrokken en vermeerderd. Daarna te Rode een houten 
kapel in 1104. In 1106 trok Walgerus naar Jeruzalem 



Digitized 



by Google 



i8o 

en stierf aldaar. Ayelbertus stichtte later kerken klooster 
Elsbeek in Brabant. Bijzonderheden schijnen in die 
plaatsen niet te vernemen geweest te zijn, want van Spaen 
deed er blijkbaar onderzoek. Theyemo stierf 3 Mei 1 1 n 
te Rode. Ayelbertus 19 September 1123 te Sechtea 
waar hij in de kapel werd begraven. 

*) Kremer. Orig. T^assoic IL p. 341. 

•) WiPERTUS? vader van Egino en Rudolf van Achalm? 



XV. 



*) Men herinnere zich de aanteekening in het oude 
Missaal te Meer. Wij hebben blz. 166 gegeven wat 
VAN Spaen geeft en daar Einsa behouden; later ver- 
anderde hij dat woord in ejusque, of die correctie 
goed was weet ik niet. Zeker was Einsa koren op mijn 
molen. Dit kon een verbastering zijn van Hainsaue, 
dat is : boschstreek, woudland, en die naam past bij 
uitstek voor dit woudrijke land, dat door de Bataue 
gescheiden werd van de Velaue. Als die naam niet 
ten tijde der Batavieren aan dat landschap gegeven 
was, zou men er hem voor moeten uitvinden. 

Willem van Berchem, kende de aanteekening in het 
misboek. Men leest in zijn werk De nobile Principatu 
Gelriae et ejus Originey uitgegeven door Bn. Sloet te 
'sGravenhage bij Nijhoff in 1870. 

aCum enim, secundum aliquos, territorium DufQiae 
et Zeflica cum suis attinentiis de imperio Novioma- 
gensi fuise ferontur, hoc stare non videtur, eo quod 
pristinis temporibus comités Zutphanienses ante edifi- 



Digitized 



by Google 



i8i 

cationem civitatis et coUegii Zutphaniensis, comités de 
Zeelem dicebantur: de quorum genere quidam dictus 
Baldericus comes, instituit castrum Zeelem interNijel 
et Meer Duflie: de cujus prosopia certos comités Zeelem, 
videlicet Theodericum comitem suisque fralres Alar- 
DUM et Gerardum, cum eorum posten tate tam mas- 
culini quam feminini generis, cuidam antiquissimo 
missale de Meer in eorum memoriam vidi inscriptos. » 
Bijna evenveel onjuistheden als feiten. Het behoeft 
wel niet gezegd te voorden, dat v^at van Berchem ver- 
telt met betrekking tot de graven van Zutphen, die 
vroeger graven van Zeelem of Zelhem zouden geheeten 
hebben, uit den duim gezogen is. Balderik was geen 
afstammeling der graven van Zutphen en is nooit 
graaf van Zutphen geweest, noch van Zeelem, en op- 
zettelijk cursiveert hij dé dwaling, dat in het misboek 
Diederik en zijne broeders afstammelingen of verwanten 
van Balderik, graaf van Zeelem, zouden genoemd wor- 
den. Hij had die aanteekening gelezen, hij kan dus niet 
door een ander bedrogen zijn, maar hij bedriegt willens 
en wetens. 
Door onkunde of opzettelijk verwarde hij ook Meer 
in de Duffel, met Mehr bij Nuis. Uit het Urkb, van 
Lacomblet kan men het een en ander betreffende de 
geschiedenis van laatstgenoemde plaats verzamelen. 
Bij hem komen voor Dietrich Mere 1104, Godefried 
II 16— II 24. Erenbert 1243 — II 50 doch niet als graven. 
Een Arnold vicecomes castri Mere wordt vermeld 28 
Februari 11 66. Alzoo een vicomte, een kloostergraaf. 
Vroeger had eene deeling plaats tusschen Elisabeth 
van Randerath en hare zuster Hildegondis gravin van 



Digitized 



by Google 



l82 

Mehr, maar die was gravin van Are en verkreeg onder 
andere goederen ook het castrum Mere. De door haar 
verkregen eigendommen kwamen later aan de door 
haar gestichte abdij van Mehr. 
Aartsbisschop Reinoud van Keulen bevestigde op 
den dag der deeling, 22 Februari 11 66, de verandering 
van het slot Mehr in een vrouwenklooster. Hildegonde 
gravin van Are had, met toestemming: vanhaar eenig 
overgebleven zoon Herman, het kasteel en wat daarbij 
behoorde daartoe afgestaan. Uit een cartolarium der 
abdij Mehr, ook bij LACOMBLETte vinden n°. 415, leert 
men het geslacht van Hildegonde kennen. Herman 
graaf van Lietberg ging, na den dood zijner gade 
Hadewig, met zijne dochter Geertrui in het klooster 
van Dunwald. Elisabeth van Randerath verkreeg, bij 
deeling der ouderlijke goederen, het kasteel Lietberg 
met wat er toe behoorde. Hildegonde, die met Lotharius 
graaf van Are gehuwd was, had twee zoons: Diederik 
en Herman en eene dochter Hedwig. Hadewich werd 
non in Dunwald, Herman pater in Capenbergh en later 
praepositus aldaar, Diederik werd graaf van Are en 
heer van Mehr. 

Hildegonde was alzoo eene geborene gravin van 
Lietberg. Zij was de eerste die den grafelij ken titel van 
Mehr voerde, daar Lietberg aan hare zuster kwam en 
hoewel geen graafschap Mehr bestond, juister zou zij 
dan ook gravin te Mehr genoemd worden. 

En wie was nu de vicecomes Arnold van Mehr? 

Die Arnold was geen ander dan Arnold jongste 
zoon van Diederik III, die in ii94graaf was van Cleve. 
Diederik VI stond de advocatie over Mehr en Wese 



Digitized 



by Google 



i85 

af aan zijn broeder Diederik Loef. Die advocatie was 
afkomstig van Diederik II. 

Hier veroorloof ik mij eene kleine correctie op de 
deelingsoorkonde bij Lacomblet. Hildegonde verkreeg 
o. a. allodia te Overmunte, Doveren en Gendèreth. 
Lacomblet vertaalt: Overmunte, Doveren en Ginderich? 
Terecht plaatst hij achter Ginderich een vraagteeken. 
Het is Genderen bij Doveren in het land van Altena 
(Noord-Brabant), Overmunte lag aan de Maas. 

») Gerardus, de castello, quod dicitur Guassenberge 
et Gozewinus, avunculus ejus de castello, quod dicitur ' 
Heinesberge. Bn. Sloet Oork. n<*. 191. 

*j Gerard heet nu eens graaf van Wassenberg dan 
graaf van Gelre. Men zie daarover het oorkonden boek 
van Bn. Sloet. Gerard van Wassenberg komt voor 
in 1083, 1087, iioi, 1118, 1125. In 1118 met zijn 
zoon Gerard. In dienzelfden tijd Gerard graaf van 
Gelre in 1096, met zijn broeder Hendrik in 1099, Gerard 
graaf van Gelre in 11 07, 11 09, uu, met zijn zoon 
Gerard in 1117, met zijn broeder Hendrik in 11 18. 

Gerard, die in 1096 met zijn broeder Hendrik teekent, 
heet derhalve nu eens graaf van Wassenberg dan van 
Gelre. Gijsbert van Gembours zegt dat duidelijk (Bn. 
Sloet Oork, n*. 211), en door de jaargetallen wordt 
dat vereischt. 

In UI 7 komt Gerard van Gelre voor met zijn zoon 
Gerard. Die zoon^was alzoo geboren vóór 11 02 en zijn 
vader derhalve vermoedelijk vóór 1072. Gerard van 
Wassenberg had een jaar later ook een zoon Gerard, 
die met hem teekende. Beide Gerards (de vaders) 



Digitized 



by Google 



184 

moeten in 11 17 en 11 18 niet alleen ongeveer even 
oud geweest zijn, maar ook in dezelfde levensomstan- 
digheden verkeerd hebben, nl. dat zij toen weduw- 
naars waren met een mondigen opvolger. Echter heeft 
men hier zeker niet twee maar één persoon. Gerard, 
die in 1096 teekent met zijn broeder Hendrik, moet 
de eerste graaf van Gelre van dien naam g ewees t zii.n. 
Zijn vader was toen dood en hij zelf nog ongehuwd, 
maar hij had in 11 17 een zoon Gerard, die meer dan 
16 jaar oud en alzoo mondig was; toen was hij we- 
duwnaar en stierf vóór 5 April 11 18. Hij werd op-/" 
gevolgd door zijn zoon Gerard, die op dien dag graaf, 
maar nog ongehuwd was, althans geen zoon had, 
daar hij door zijn broeder Hendrik werd bijgestaan. 

*) Zie Kremer, Orig. ü^assoic. I. s. 321 und f. 
XVII. 

^) Door het aannemen van dit huwelijk heeft men 
de verklaring hoe Zevenaar gekomen is aan de graven 
van Cleve. In onze aanteekening op Hoofdstuk X, 
bladz. 170, zeiden wij, dat Dirk Loef van Cleve het 
allodium Zevenaar bezat in 1261. Dirk Loef had dat 
goed uit de erfenis zijns vaders verkregen terwijl zijn 
oudste broeder gegoed werd met Dingslaken, dat van 
hunne moeder afkomstig was. Dat door grootmoeder 
of overgrootmoeder Zevenaar in het huis van Cleve 
gebracht is, is niet aan te nemen, zoodat men van 
zelf opklimt tot Diederik II. 

*) Anno 1119. 

Digitized by LjOOQIC 



i85 

•) Volgens BiNTERiM und Mooren, Die Erzdiocese 
Köln, Th, L s. 99. Over Bedbur zie men de voor- 
treffelijke monographie van Bn. Sloet, Het hoogadelijk /" 
vrij wereldlijk stift Bedbur. Amsterdam, 1879. 

♦) Bn. Sloet, Oork. n«. 267. Deze oorkonde , waarin 
FoLMER proost van Sijflik een allodium te Hien geeft ^" 
aan St. Maarten te Utrecht is o. a. geteekend door 
Arnoldus advocatus et filius Arnoldus. 

In II 29 teekende hij mede de acte waarbij Keizer 
LoTHARius aan de burgers van de rijks-villa Duisburg 
het recht toestaat in het Duisburger woud desteenen 
te breken, die zij noodig hebben tot het bouwen van 
huizen en ander werk. Hij is in 1131 getuige in de 
verklaring van bisschop Andreas van Utrecht, dat hij /" 
Duiven als parochie gescheiden heeft van Groesen. De 
graaf van Gelre teekende dien brief niet, zoodat Duiven 
en Groesen toen Kleefsch waren. 

») Bij MiRAEUs, Op. T>ipl. 'Belg. I. pag. 174, komt 
hij voor in eene oorkonde van Andreas, bisschop van 
Utrecht gegeven in 11 34 als Arnoldus juvenis comes. 

•) Zie Bn. Sloet, Oork. n*». 296 uit de <Ann. Egtn. Men 
kan die plaats echter, volgens Bn. Sloet, niet vertrouwen. 

') Lacomblet, Urk. n*. 404, geeft den voornaam van 
Aleids vader Gebehard, die dood was in 1188. Dat 
Gebehard graaf was van Saucebag of Sauceberg leert 
men uit Sloet^s Beoftur, Oork, II. Aleidis was in 1206 
overleden. Zij heeft aan Bedbur gegeven eene curtis 
Rechem. Was dat Rechem aan de Maas } — Berenger 
van Sorbach (Sozbach) is 31 Maart 1125 getuige van 



Digitized 



by Google 



i86 

Keizer Hendrik V bij de bevestiging van eene gift aan 
de St. Jacob-kerk te Luik. Bn. Sloet Oork. n^. 245. 

•) Bn. Sloet, "Bedbur. n: II, 

») Den 29 November riep Paus Gregorius de Duitsche 
vorsten op om hem tegen de opgestane Romeinen te 
hulp te komen. De Paus richtte zich o. a. tot den 
graaf van Gelre, «item comiti Cievensi, ut veniat vel 
filium suum mittat. In Oorkonde Sloet 469*>i» is Gerard 
graaf van Cleve getuige. Die oorkonde v^ordt gebracht 
op 1223 en derhalve moet hier een of andere ver- 
gissing bestaan. 

*®) Ernst noemt haar Mathildis, dat zij Hadewich 
heette blijkt uit Lacomblet, Urk, 490. 

**) Verloofd 22 November 1240. 

**) In 1247 den 8 Juni beloofde Diederik bijstand aan 
aartsbisschop Koenraad van Keulen tegen Koenraad 
van Molenark; 22 Mei 125 1 sloot hij met aartsbisschop 
Koenraad, die Dorsten wilde bevestigen, een verdrag 
omtrent zijne rechten op die plaats. Den 15 October 
1254 neemt hij deel aan den vrede tusschen aartsbis- 
schop Koenraad en graaf Willem van Gulik. Met zijne 
vrouw Adelheidis kreeg hij van haar vader Hendrik 
van Heinsbergen, gelijk hij verklaart op 22 September 
1255, ten huwelijk het kasteel Wassen berg, het advo- 
caatschap van Bon, goederen in Aarweiler, enz. Hij be- 
zwoer 14 November 1259, met aartsbisschop Koenraad 
van Keulen, de graven van Gelre en Gulik en de af- 
gevaardigden van Utrecht, Berg, Sayn en der stad 



Digitized 



by Google 



i87 

Keulen den landvrede gesloten tusschen Gelre en Cleve 
13 Mei 1260. Den 29 December 1262 beloofde hij aan 
de burgers van Keulen bescherming en rechtszekerheid 
in zijn gebied. 

") In eene oorkonde van 7 Mei 1305 komtDiEOERiK 
voor als levende, maar 17 Maart 1305 is zijne vrouw 
Margaretha vsreduwe (Lacomblet Urk, n**". 36 en 38). 
Duidelijk' is het, dat men hier eene fout in het jaar 
heeft der tweede oorkonde. Het moet zijn 17 Maart 
1306. Otto is graaf 16 Mei 1306. 

") Deze twist had zijn oorsprong in het bouwen 
van een nieuw slot door graaf Engelbert vanArberg, 
zoon van graaf Everhard van der Mark te Holten. 
De graaf van Cleve beweerde, dat dit binnen zijne 
heerlijkheid geschied was, en in andere punten die be- 
langstellenden vinden kunnen in de oorkonde bij Lacom- 
blet III n*». 37. Die oorkonde is in het Nederduitsch 
opgesteld en gedagteekend 31 Januari 1307. 




Digitized 



by Google 



Digitized 



by Google 



GESLACHTSLIJSTEN. 



NB. In deze geslaohtslijsten zijn slechts over het algemeen de 
namen opgenomen yan personen, die betrekking hebben op 
de geschiedenis van Gelre, Cleye en Zutphen. 



Digitized 



by Google 



Digitized 



by Google 



191 



aRAVEN VAN HESPENGOU — LOON. 

Everha^d, mogelijk een zoon van Everhard I van Hameland en 
Nordgou, maakt zijn testament in 837, had vier zoons en twee 
dochters, onder deze: 

Rudolf. Adelart, Berenger , 

te Cisoing. graaf van Noion en Doornik. 

Vermoedelijk stamvader der heeren van Antoing, uit welke af- 
stamden G^rard en Rudger. Zie Hoofdstuk XV. 



? 


Reinier, j 


graaf. 


Berenger, 


, graaf van 


Lomme, 


leeft 


nog 932. 


Neveling, graaf, is 
(Albuinus? 908 in 


dood 943, 
Maasgou.) 


Balderik, 


, bisschop 


van 


Utrecht. 



Reinier, leeft nog 950. Amold in 950 graaf in Oennepergou. 



Rudolf, graaf in Maasgou, Balderik. 

verbannen 966. 



Amold van Los Lodewijk, Godfried Praefectus. N. N. 
db 1016. heer v. Pannerden. 



G^sbert en Amold Balderik, bis- Godfried en eene Graaf Balderik 
graven van Los. schop van Luik. dochter gehuwd en eene 

aan Wiohman. dochter. 



Digitized 



by Google 



19^ 

AFSTAMMELINGEN VAN GODIZO, 

heer van Aspel en Hengsibach. 

Godizo is dood vóór 1012. Hg liet geen zoons na maar dochten, 
en eene wednwe, die hertrouwde met Gerard, een heer aan 
den MoeseL 



Irmentmdis hnwt met Rupertus, 
zoon van Herman, IJtrechtsch graaf , 
graaf van Zutphen in 1045. 



N. N. hnwt yermoedelgk 
met een graaf van Hostade. 



Herman, graaf van Zntphen 
tot 1064. Abt vanSt.Pantaleon 
te Keulen, stierf 1121. 



Rupertus graaf 
in 1059, is dood 
in 1082. 



Irmgardis, 
geestelgke te 
St. Pantaleon. 



Rupertus, graaf, 

teekent tussohen 

1073 en 1075, 

leeft nog 1082. 



Digitized 



by Google 



193 



o 

8 

«< 
O 

H 
H 

W 



w 





f ë 




'Ö 




l? 




O 


o 
PM 


S 




k 







08 






S 


(n 


A 


1 


1 


M 


§D 


:» 


CJ. 


'© 




'S 


s 


o 












>• 


g 






^ 


^ 


s. 


§ 


'S 


o 


o 




|Zi 










'©-»* 


1 


11 




a> 03 


H- 1 


k k 


Ti 


S *H 


ë 


S,g 


^ 


1^^ 


*Sd 


w 


a> 




^ 




a 


^ 


03 


k 


g 


1 


2 


^Ö 


3 


s*§ 




il 


»— 1 








w 


1 




<-] 












k 



F- OÖ 



SS 

k 



i 



.S'c 



1 I 



ia 



I 



i 






i 

O 

«o 2 
O) Ti 



03 <T) O) 

00 § S 






kPn 



m 



P^ k^ 



é>" 



s^ö s 



r«fe 






_» B © 3 



© N § ' 

o k ., 
® - ^ ?* 



- 3? S 



© k C 'S i^.^ .^ ^ 



^ IS! 



»*-i^ k S 

p a k 



ca > tl o 



9 

o •. 












8)1 'IS 

>> -«^ o8 © 



S)l 



^^A 



Digitized 



by Google 



194 



03 

I 




S «3 >■ 



Digitized 



by Google 



^95 



H 
P^ 



o 
p 
o 



5 



I 

O 

§ 

'S 







Digitized 



by Google 



19^ 






11- 

Ö !3 SP 



o 

I 



"O - 

k 08 

a> <x> 



g ® o 

sis 

^ ^ ^ 
Hl 

1- 



© o . 

n Oio's 
1^ ■ 



E'S 95*5 <ö 




Igsls 

© S (D © T-l 



► 'S t©^ 



a 






Hl 



- a 






ê 



Hl 



g-d 



m 

'S si's 

o § 2 «- 



Ö _ © 
^ ^ S 

N © 



I's! 



»-i "^ TS L Ö CQ 



öt;" 






:i 



© 



^ 



bC©i-i 
\ •-'.2 fe 

Is " 



o 






■ r >. © 



I 
ê 



Digitized 



by Google 



197 






ö 

I 
(5 



7§ 






«i 



I 



te 



1 — L, 

5 



■^ CC 






ten 



J 



=^^ *" ?n^ O'S 'S 








tt 


-*^ 


ï-. 


iJ 


ï 


s 


'ac 


s;! 1 





-*j 


£ 


'3 












■~i ^ 






-ir; 




=; 






^ ''■' 


T. 




kE 


-^ '5 




IK 


E 




« 


1-^ 


f^ 






-i^ . 




-|-^_ ^ 






■;• 


T- 5 


% 


5CS 


o 


C- 4- 


T? 


E ^ 


fi 
C 


C^l^ 




* d 


S 
^ 


= g 




B £■ 


0* 


il) 



'S 



« 'S o 



i^nsii 



«t^ 









tt:,., I 
c 



!:n 



_^ > 



'S 'S 



03 



.|£Kg 



c ® SA 




1 

J. 



.2 2 fl 



S 08 tj 



'S 



C<ï 03 

1-1 k 

p-a S 

II 

.20 



i 

ö"^ '^ 



lis f 



. 'S ? « 



-1 "* 

il -5 



tUD 






'S^ 









PD p 



p:) 






-ijr^ 



-M « 08 d si 

e ë fl I ë 

gCi3 O) "^ s 

ö 08 o o -- 



*»i >"a 08 



» 



Digitized 



by Google 



198 

AANMERKINGEN BIJ DE GESLACHTSLIJST 
HAMELAND— NORDGOU. 

Yoor den Ëttichonisohen stam geven wij deze tafel: 

Etticho, Adalrio, 
Hertog van Elsatiên. 



Adalbert hertog Ëtticho graaf van Nordgou. 

684—690. 
Graaf van Sundgoo. 



Heddo. Albert gr. v. Hugo. 

Nordgou. 



Hugbert. Herbert. Everhard. Thetibold. 
geen dezer zoons volgde hem op in 
Nordgou. — Na Alberik werd daar 
graaf Butelin en na dezen Everhard, 
zoon van Bruncharius. 



Digitized 



by Google 



AANTEEKENING BIJ DE GESLACHTLIJST 
LAHNGOU-HAMELAND. 



Men ziet , dat wij op die lijst na "Weraher II geen Udalricus laten 
volgen, die bij J. M. Kremer als zijn zoon voorkomt. Er is niet aan 
te twijfelen of na den dood van "Wernher II zijn zijne bezittingen 
gekomen aan Diederik I van Cleve en Gerard van "Wassenberg, 
zoodat hunne moeder geweest is eene zuster of dochter van Weraher II. 
De leeftgd eischt, dat men aanneemt eene zuster en hare kinderen 
hadden niet van haar broer kunnen erven, als deze een zoon gehad 
had. Zoo kunnen dan ook Gerlach von Godesberg en Dudo van 
Lurenberg geen broers geweest zijn van "Wernher II, daar het erfdeel 
hunner zuster zeker niet zoo groot zou geweest zijn. 

"Wichard en Arnold worden door Kremer gesteld zoons van Otto , 
Graaf, gehuwd met Adelheid van Gelre, dien wij schrapten en daarvoor 
"Wilringus in de plaats stelden. Zonder echter daarover voldaan te zijn. 

"Wichard en Arnold waren in 1034 Graven in de streek waar 
Nassau ligt, maar Arnolds kleindochter Mathildis huwde met een 
graaf van Nassau. Kremer stelt met Ulrich zoon van "Wernher II, 
dien hij Graaf van Etchenstein noemt. "Volgens hem bestonden zij 
elkander in den vierden graad. Werd niet in het leven van Lodewijk 
van Arnstein gezegd , dat Mathildis huwde met een graaf van Nassau , 
dan zou men mogen onderstellen, dat Nassau door haar in het huis 
van Lurenburg, dat algemeen als het Stamhuis van Nassau wordt 
aangenomen, gekomen is. 

Dit is echter nu onmogelijk en men zal moeten aannemen, dat al 
graven van Nassau bestonden voor het slot te Nassau gebouwd 
werd, zooals Graven van Cleve voor het slot te Cleve op den berg 
aldaar verrees. 

Nassau lag in Einrichgou, en was ten tijde van Karel de Groote 
een kroongoed (Kremer , Orig. Nass. II , Dipl. Hl) , 't was een 
oppidum waar , (naar Echart , Franc. Oriental, T. Il , p. 93) , in 



Digitized 



by Google 



200 

Karels tijd munt geslagen werd. Was het dan soms een phalsgraaf- 
schap zooals b. y. Nijmegen ? Maar dan behoorde het niet tot het 
gebied der Graven van Einriohgou en had zijne eigene Graven , die 
hun eigen rechtsgebied bezaten , zoodat de echtgenoot van Mathildis 
daar paltsgraaf kan geweest zijn , zonder dat hij in eenig opzicht 
aan haar vader verwant was , en "Wichard en Amold mogelijk in 
het geheel niet in de geslachtlijst der afstammelingen van Everhard 
graaf van Lahngou te huis behooren , vooral daar de latere twist den 
burg te Nassau betrof en niet de stad Nassau zelf. 

Voor Dudo van Lurenberg, die in 1114 kinderloos stierf, is ons 
geen graaf van Lurenberg bekend ; daar Ulrich van Etchenstein in 
1124 stierf, is het zeer goed mogelijk dat hij een broeder geweest is 
van Dudo , vader der beide graven van Lurenburg , Rupertus en 
Arnoldus. Wie was nu de vader van .Dudo en zijn broeder Giso? 
Kremer zegt "Wemher I. "Wij hebben de reden vermeld waaiom wij 
dat niet kunnen aannemen, en uit de door hem aangevoerde oorkonde 
van 1195 (Dipl. CXXIX) bewijst hij dit ook niet , wel dat de graven van 
Nassau afstamden van Gerlach , den vader van "Wemher I , wien hg zelf 
nog een tweeden zoon Gondebold, Graaf van Nederlahngou, toeschrijft. 

Het ligt niet in ons plan de genealogie van het huis Nassau door 
J. M. Kremer geleverd hier in haar geheel te onderzoeken ; wij be- 
perken ons tot wat betrekking heeft op Gelre. 

Zijn Otto , zoon van Otto , Otto gehuwd met Adelheid van Gelre 
is onhoudbaar. "Wij stelden voor dezen een Ulrich of "Wilringus in de 
plaats, maar huiverend. "Waren Arnold van Amstein en "Wichard 
van Molsberg afstammelingen uit het huis van Lahngou, dan kunnen 
zij dat niet geweest zijn door een denkbeeldigen Otto , mogelgk door 
een zoon van Everhard graaf in Lahngou, die in 966 stierf. Men 
vindt dat deze in Lahngou door een Hugo werd opgevolgd, daarzgn 
zoon Otto voor zijn dood uit Duitschland verbannen was ; die Hugo 
was, zegt hij, „ten minste" graaf van Einrichgou. Otto bleef afwezig 
van 966 tot 990 , alzoo niet minder dan vier-en-twintig jaren. "Was 
hij nu gehuwd met eene dochter van dezen Hugo of "Wichard ? "Wij 
hebben in de Graven van Hameland gemeend dat hij elders gehuwd 
was , en meenen dat nog. Kremer geeft zich geen moeite afkomst 
noch afstammelingen van dezen Hugo na te sporen. "Wij vermoeden 
dat die Hugo was een broeder van Mengosus en Heer van Pont, 
grootvader der graven in Einrichgou, Wichard en Amold, stam- 
vaders van Molsberg en Arnstein , en dat alzoo de dochters van 



Digitized 



by Google 



20I 

Lodewijk I van Amstein noch van vaderskant verwant waren aan 
de graven van Nassau noch aan Otto graaf van Zutphen , en der- 
halve geen bezwaar tegen hunne huwelijken kon bestaan. Wij geven 
in onze geslachtlijst Kordgon-Gelre eene schets van deze onze meening. 

Giesen , zegt Kremer , was het eigendom van Mengosus , het werd 
later verkocht , en aan dien verkoop in 1206 namen deel Nassau , 
Molsberg en Tubingen , wel een bewijs dat Nassau en Tubingen door 
Amstein een aandeel daarin verkregen hadden. 

Zevenaar was in 1261 eene bezitting van Dirk Loef van Cleve, 
die het mogelijk door zijne moeder^ zijne vrouw Loretta van Sarbrück , 
of door koop verkregen had. 

Hoe kwam nu — is onze onderstelling juist — Gerard II aan 
Gelre, daar "Wichard een zoon had? Zou hij door deze vrouw soms 
wel iets anders verkregen hebben dan Pont en dat wel uit de nalaten- 
schap van haar oom bisschop Willem , en moederlijk erfgoed b. v. 
Kriekenbeek ? 

Nettesheim heeft in zijne Geschichte der Stadt und des Atntes 
Geldern aangetoond, dat de cürtis Pont aan de Niers, later „ten 
Boemert" thans Goltenhof geheeten, in de uitgebreide Mark Stralen, 
het stamslot is geweest der graven van Gelre. Hij komt tot het 
besluit: De heerenhof Pont was in den Frankischen tgd de woning 
van een oudvrije , die het grafelijk bewind in die streek , misschien 
ook de voogdij over het land van Gelder bezat. In den loop der tijden 
verliet hij zijne landelgke bezitting te Pont en stichtte den burg 
Gelder naar welken hij bij den ondergang der oude Gou- inrichting 
den titel graaf van Gelre aannam. Die burg is gebouwd op grond 
en bodem van Pont. 

Bij de branden der kerk van Xanten in 1081 en 1109 is het geheele 
stiftsarchief aldaar vernield ; toch is mogelijk nog wel iets te vinden , 
en liever dan hier Nettesheim te volgen, zouden wij aannemen, dat te 
Gelre, evenals te Cleve, evenals te Nassau, het veld gelegen heeft 
waar de Koninklijke graven te hooi en te gras uit 's Konings naam 
recht spraken , waar hun rechtsbodem was en dat zij later , toen zij 
naar onafhankelijkheid begonnen te streven, en trachtten van ambte- 
naren dynasten te worden , dien zetel overbrachten naar een allodium , 
een slot dat hun in eigendom behoorde , en dat zij noemden met den 
ouden naam der vroegere rechtsplaats. 



Digitized 



by Google 



INHOUD. 



I. Romeinen en Franken tusschen Rijn en Maas. 

II. De gouen in Hattuarie. 

III. Hattuarie onder de Franken. 

IV. De Merovingers. 
V. De Grondheeren. 

VI. Gougraven. 

VII. De Hespengou ers. 

VIII. Graaf Balderik. 

IX. Wichman Heer van Vreede. 

X. Godizo van Aspel. 
XI. Mengosus van Gelder. 

XII. Everhard van Cleve. 

XIV. VVichard van Pont en Otto van Nassau. 

XV. De Vlaamsche broeders. 

XVI. Wassenberg en Heinsberg. 

XVII. Het Kleefsche gravenhuis. 

AANHANGSEL. 

Bastaarden van Cleve. 

Geslachtslijsten- 

Aanteekenin^. 



Digitized 



zedby Google 



Tan het Nederlandsch Familie-Aretaief zijn Terschenen : 

I. BRONNEN. 

J. H. SCHEFFER, Gravelijke commissie- of beveelboeken 
van Hertog Aelbrecht van Beyeren. I. 1392 — 1404. Rot- 
terdam , 1863. 8vo f 2.10 

Gravelijke commissie- of beveelboeken 

van Hertog Willem van Beyeren. II. 1408 — 1418. Rot- 
terdam, 1883. 8vo - 1.20 

II. GENEALOGIËN. 

' Browne 8vo - 0.60 

Chabot „ - 1.35 

Crommelin „ - 3.90 

van Beeftingh ^ - 0.60 

Dumbar „ - 0.40 

Groeninx van Zoelen „ - 0.65 

Hubrecht „ - 1.90 

—. Huyssen van Cattendijke „ - 0.90 

Lestevenon . . . „ - 1. — 

Meyners „ - 1. — 

Prins „ - 1.90 

Steyn „ - 1.20 

Straalman „ - 0.45 

A. A. YORSTERMAN YAN OYEN, Genealogie van het 

geslacht Beets. 's-Gravenhage , 1884. Met wapen en por- 
tret van Nic. Beets „ - 1.35 

m. GENEALOGISCHE BIJDRAGEN. 

H. DE JAGER, Het geslacht Tromp. Rotterdam, 1883 . . „ - 1.20 
A. J. C. KREMER, Hattnarie. De oorsprong der graven 

van Gelre en Cleve. 's-Gravenhage, 1887 „ - 2.00 

J. H. SCHEFFER, Algemeen Nederlandsch Familieblad. 

Ie Jaargang. Rotterdam, 1883 — 1884. Met wapens en portr. 4to. - 8. — 

A. A. YORSTERMAN YAN OYEN, Idem. 2e Jaarg. 1885. „ - 8.— 

Idem. Idem. 3e Jaarg. 1886. „ - 8.— 

A. A. YORSTERMAN YAN OYEN en G. J. HONIG, 

Idem. 4e Jaargang. 1887 „ - 8. — 

IN BEWERKING: 

üenealr^-iën der geslachten Hoynck van Papendrecht, Ouwens en Waller , 
en Jaarboek van den Nederlandschen Adel, Ie Jaargang. 

Digitized by LjOOQlC 




Digitized 



by Göögk^^ 



Digitized 



by Google 



Digitized 



by Google 



Digitized 



by Google 



Digitized 



by Google 



This book should be retumed to 
the Library on or bef ore the last date 
stamped below. 

A fine of five cents a day is incurred 
by retaining it beyond the specified 
time. 

Please return promptly. 





dby Google